Liefdevolle houding naar kerkverlaters

M.M. van Winkelen | Geen reacties | 17-07-2026| 13:30

Vraag

Er is de laatste tijd veel geschreven over de kerkverlating binnen de Gereformeerde Gemeenten. Onlangs ook een stuk in de Saambinder. Dan komt bij mij de volgende vraag naar boven: als kerkverlating ons verdriet doet, moeten we dan niet ook eerlijk onderzoeken of onze eigen houding of toon daarin soms een rol kan spelen? Voorbeelden in verschillende artikelen komen vaak denigrerend over. Ik mis de liefdevolle houding naar de kerkverlaters. Dit kan en mag toch niet?


Antwoord

Beste vragensteller,

Je geeft aan dat je in de berichten over kerkverlating die er binnen de Gereformeerde Gemeenten gepubliceerd worden zelfreflectie wat mist, alsook een liefdevolle houding naar kerkverlaters. 

Uit het feit dat er over kerkverlating gepubliceerd wordt, ook in De Saambinder, kun je afleiden dat het gegeven dat jaarlijks vele leden en doopleden het kerkverband verlaten iets is dat als aangrijpend en belangrijk wordt ervaren. Daarom wordt erover geschreven. Dat komt voort uit zorg over deze ontwikkelingen; en ik verwacht ook uit betrokkenheid op gemeenteleden die een vergelijkbare stap overwegen.

Dat er over deze ontwikkelingen geschreven wordt zie ik als gezond en belangrijk. Het is goed als predikanten of ambtsdragers uit zorg over ontwikkelingen die men opmerkt in de gemeenten hier iets over schrijven in bijvoorbeeld De Saambinder. Dat om betrokkenheid op en trouw aan de gemeenten waarin we als leden en doopleden een plaats mogen hebben te bevorderen. Als er ontwikkelingen zijn die zorg geven, moet dat gezegd kunnen worden; en het is niet onjuist als dat duidelijk en concreet wordt benoemd. Het kan ook goed zijn om scherp te zijn, dat doet de Bijbel ook meer dan eens, lees maar eens wat er in Hebreeën 10:25-39 hierover gezegd wordt.

Maar daar is niet alles gezegd. Wat mij betreft kan dat ook gepaard gaan met een houding van zelfreflectie; sterker nog: ik denk dat het belangrijk is dat een ambtsdrager die houding heeft; dat siert hem wat mij betreft ook. Ik denk aan wat Paulus schrijft in de Galaten 6:1: “Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. Dat laatste, ‘ziende op uzelf opdat ook gij niet verzocht wordt”, mag en moet de toon zetten. Laten ambtsdragers dat doen vanuit een besef hoe het hunzelf zou vergaan als God hen ook maar een moment losliet. Laten ambtsdragers voor Gods aangezicht het zich afvragen of zij zelf -of dat de gemeente meer in algemene zin- er (mede) de oorzaak van zijn dat leden en doopleden de kerk verlaten.
 

"Heb ik iets gedaan of gezegd waardoor de ander gekwetst of beschadigd is, en bijgedragen heeft aan zijn of haar besluit om de gemeente te verlaten?"


De vraag die de discipelen stelden bij het laatste Pascha “ben ik het Heere?” is ook in dit opzicht een goede vraag om onder ogen te zien. Het is een verootmoedigende vraag die beweegt tot zachtmoedigheid naar je naaste: Heb ik iets nagelaten dat dat eraan bijdroeg dat de ander zich van de kerk verwijderde? Of heb ik iets gedaan of gezegd waardoor de ander gekwetst of beschadigd is, en bijgedragen heeft aan zijn of haar besluit om de gemeente te verlaten? Die reflectieve houding hoeft niet naar voren te komen in elk woord dat geschreven wordt, maar het is wel belangrijk dat die grondhouding er is. 

Wat je schrijft over een liefdevolle houding is zo mogelijk nog belangrijker. Wat is het belangrijk dat kerkverlaters dat proeven bij ambtsdragers en gemeenteleden. Ik wil een verhaal uit de ‘ongewijde geschiedenis’ met je delen dat mij persoonlijk erg raakte, omdat het laat zien wat liefde -onder Gods zegen- vermag. Het verhaal komt uit de kerkgeschiedenis van Eusebius (260-340, lees maar eens iets over hem) en gaat over de apostel Johannes. 

Eusebius schrijft dat Johannes, nadat hij verbannen is geweest naar Patmos, nog een tijd de gemeente van Efeze heeft gediend, en daarbij ook actief was in omliggende gemeenten. In één van die omliggende gemeente leerde hij een jongeman kennen die “goed gebouwd was, een vriendelijk voorkomen had en vurige van geest was.” Toen Johannes vertrok, droeg  hij de opziener van die gemeente  uitdrukkelijk op om voor deze jongeman te zorgen; hij vroeg zelfs een plechtige belofte van de opziener om dit des te meer op zijn hart te binden.

Aanvankelijk zorgde de opziener ook voor de jongeman, maar deze kwam op een kwade dag in contact met slechte vrienden. Het ging van kwaad tot erger, hij nam het slechte gedrag en de gewoonten van deze vrienden over, en verviel tot misdaad. Zo ver ging het dat hij de leider van een bende werd die “de baas in gewelddadigheid was.” Hij werd gevreesd. Inmiddels had hij gebroken met de kerk en wilde niets meer weten van Gods genade. Toen bezocht Johannes die gemeente weer eens en vroeg de opziener naar de jongeman. Dan tekent Eusebius het volgende op:

“Er ging een tijd voorbij; op zekere dag liet men Johannes komen om een kwestie te regelen. De apostel regelde die zaken, waarvoor hij was gekomen. Toen zei hij: wel opziener; een tijdje geleden hebben ik en Christus in tegenwoordigheid van de gemeente die onder uw leiding staat een waardevol pand onder uw hoede gesteld; geeft u nu maar terug wat ervan geworden is.

De opziener raakte een beetje in de war, omdat hij dacht dat hij een som gelds moest terugbetalen die hij niet eens ontvangen had, maar daarover wel schuldig gesteld werd; hij kon echter natuurlijk geen beheer voeren over iets wat hij niet had; anderzijds wilde hij niet twijfelen aan wat Johannes vroeg. Toen zei Johannes: ik vraag die jongeman terug en de ziel van een broeder. De oude opziener zuchtte diep en moest huilen: hij is dood”, zei hij. Dood, in welk opzicht?, vroeg Johannes. Hij is dood voor God, zei de opziener. Want hij ging de kwade weg op, verderfelijk; nu is hij, zeg maar, een rover. In plaats van de kerk te dienen, maakt hij nu het bergland onveilig met een stel van zijn eigen soort.

Toen de apostel dat hoorde scheurde hij zijn kleed, en greep jammerend naar zijn hoofd; daarop zei hij: een mooie bewaarder van de ziel van een broeder heb ik aangesteld, hoor! Laat maar een paard komen; en iemand moet met mij meegaan om de weg te wijzen. Toen verliet hij zonder meer het kerkgebouw.

Prompt werd hij in het veld gevangen genomen door wachtposten van de bandieten. Maar Johannes probeerde niet te vluchten; hij vroeg om niets, maar riep alleen maar: hiervoor ben ik juist gekomen; breng me naar jullie leider.

Die leider stond inmiddels te wachten in volle wapenrusting. Maar toen hij ontdekte dat Johannes naar hem toekwam, schaamde hij zich en keerde zich snel om, op de vlucht. Maar de apostel vergat even zijn leeftijd en probeerde hem uit alle macht bij te houden. Hij riep hem luid toe: mijn zoon, waarom zou je wegvluchten van mij, je vader, oud en ongewapend? Heb toch medelijden met mij, zoon, en wees niet bang. Je hebt nog hoop van leven. Ik zal voor jou rekenschap geven aan Christus. Als het nodig is, dan zal ik zelfs vrijwillig voor jou de dood sterven, zoals de Heere voor ons deed. Mijn leven zal ik geven voor het jouwe. Daarom, stop! Geloof me, Christus heeft me gestuurd.

Toen hij dit hoorde, stond de jongeman eerst stil, met neergeslagen ogen. Maar daarna smeet hij zijn wapens weg en bleef al bevend bitter staan huilen; toen viel hij de oude man, die hem inmiddels bereikt had, om de hals; en al huilend probeerde hij met jammerklachten zich te verontschuldigen, zo goed als hij kon. Hij werd als het ware voor de tweede keer gedoopt, maar nu met zijn eigen tranen; alleen zijn rechterhand hield hij verborgen.

Maar de apostel stelde zich borg voor hem en bezwoer hem, dat hij voor hem vergeving had ontvangen van de Heiland; hij ging in gebed en knielde neer; toen kuste hij de rechterhand van de jonge man, als een teken dat deze door de bekering van de jonge man was gereinigd; daarna bracht hij hem terug in de kerk. Hij deed ook daarna langdurige smeekbeden voor hem en streed als het ware met hem mee in regelmatige vastentijden; hij liet zijn innerlijk tot rust komen door prachtige woorden. En naar men zegt week hij niet van hem, totdat hij hem weer had kunnen terugbrengen als lid van de gemeente. Daarmee gaf hij een machtig voorbeeld van waarachtige bekering, een klaar bewijs van de wedergeboorte en een zichtbaar overwinningsteken van de opstanding.”

Dus nogmaals -ook al is dit verhaal dan een ongewijde geschiedenis- laten we opmerken wat liefde ( zoals Paulus die in 1 Korinthe 13 tekent) vermag.

M. M. van Winkelen

Mis niks, abonneer je op onze WhatsApp en wekelijkse nieuwsbrief

Dit artikel is beantwoord door

M.M. van Winkelen

  • Geboortedatum:
    18-07-1981
  • Kerkelijke gezindte:
    Gereformeerde Gemeenten
  • Woon/standplaats:
    Den Haag
  • Status:
    Actief
66 artikelen
M.M. van Winkelen

Bijzonderheden:

Ouderling in Gereformeerde Gemeenten.

Bekijk ook:

 


Dit panellid heeft meerdere artikelen geschreven
Geen reacties
Je kunt niet (meer) reageren op dit bericht. De reactiemogelijkheid is niet geactiveerd of de uiterste reactietermijn van 1 maand is verstreken.

Terug in de tijd

Onoprecht gebed

Ik las even de nieuwe antwoorden op Refoweb door. Toen kwam ik in een antwoord tegen, dat als je willens en wetens aan een bepaalde zonde vasthoudt en tegelijk bidt om vergeving en om een rein hart, d...
Geen reacties
17-07-2005

Geen steen zou op de andere blijven staan. En de Klaagmuur dan?

Jeruzalem zou geheel verwoest worden. Er zou geen steen op de andere blijven staan. Hoe verhoudt zich dit ten opzichte van de Klaagmuur? Die staat immers nog helemaal overeind.
Geen reacties
17-07-2005

Op zondag buiten de deur eten

Onze zoon van 18 heeft een relatie met een buitenlands christelijk meisje. Een meisje waar we blij mee zijn. Vorige zondag ging hij buiten de deur eten in de stad. Dit gaf ons veel verdriet, omdat wij...
Geen reacties
17-07-2013
design website door design website by Mooimerk website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis hosting website door hosting website by STH Automatisering
Stel hier
een vraag