Apostelconvent

Ds. C. den Boer / geen reacties

25-04-2016, 13:44

Vraag

In Handelingen 15 wordt een kort verslag gegeven van het apostelconvent, waarin een besluit werd genomen over de besnijdenis en het houden van de wet van Mozes door de gelovigen uit de heidenen. Nadat Jakobus zegt dat ze het de gelovigen uit de heidenen niet lastig moesten maken en voor hen een aantal verboden opnoemde (die overigens lijken op een samenvatting van de Noachitische geboden, maar dat terzijde). Dan zegt hij wat opmerkelijks in vers 21: "Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen." Wat bedoelt Jakobus hiermee?

Er zijn er die zeggen dat de leer van de Noachitische geboden voor de niet-Joden al die tijd ook al in de synagogen werd geleerd, vanuit de mondelinge Tora. Er zijn er ook die zeggen dat Jakobus hiermee bedoelde dat de verboden die hij daarvoor noemt een opstapje zijn voor de niet-Joden om geleidelijk aan de gehele Tora te gaan houden. En zo zijn er wellicht nog andere verklaringen. Maar wat is de juiste verklaring voor vers 21?

Antwoord

In het eerste deel van uw vraag wordt voldoende duidelijk gezegd waarover Hand. 15 gaat, namelijk over het zgn. apostelconvent, het ‘concilie’ van de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem bijeen ter besluitvorming omtrent de vraag, of heidenen die door de apostolische prediking tot geloof in Christus Jezus zijn gekomen evenals Joden-christenen besneden behoren te worden en de Mozaïsche wetten moeten onderhouden (o.a. spijswetten). 

Een en ander leidt zelfs tot een grote onderlinge twist. Petrus samen met Barnabas pleiten er vurig voor om de christenen uit de heidenen in deze zaken geen juk op te leggen, die zijn te zwaar om te dragen. Ook Jakobus de broeder des Heeren, een van de vooraanstaande leiders van de moedergemeente valt dat oordeel bij en zegt dat men de gelovigen uit de heidenen hierover niet moet beroeren. Laat er van de synode maar een brief uitgaan naar het ‘zendingsterrein’ waarin duidelijk wordt bepaald dat er voor gelovigen uit het heidendom wel degelijk ook zaken zijn die Gods wet van hen zoals ook van iedereen vraagt en waarin men elkaar vooral moet respecteren en niet irriteren. Een brief van de volgende inhoud.

a. Men moet zich onthouden van het aan de afgoden geofferde vlees. Te denken is hier ook aan wat in 1 Kor. 8 en 9 door Paulus geschreven is m.b.t. vlees dat in de heidense tempels aan afgoden is aangeboden en vervolgens in het restaurant annex het tempelcomplex wordt geconsumeerd. Binnen een christelijke gemeente met daarin ook Joodse christenen zouden die laatste zich vreselijk ergeren als hun mede gelovigen uit de heidenen hun Joodse broeders niet zouden ontzien door zulk afgodisch voedsel te eten. Vgl. o.a. 1 Kor. 8:9-13; 10:24vv).

b. Men moet zich onthouden van het bloed en van het verstikte. M.a.w. van het drinken van het nog warme bloed van een door verstikking om het leven gebracht dier. Want (een typisch Joodse overtuiging): in het bloed is de ziel, cq. het leven.

c. Men dient zich te onthouden van hoererij/ontucht. Bedoeld zal wel zijn: van dusdanige hoererij oftewel bloedschande die voor heidenen niet onoverkomelijk was, maar waaraan de broeders uit het Jodendom zich zeer ergerden (Calvijn noemt hier concubinaat of huwelijk tussen verwanten). Vgl. o.a. 1 Kor. 5.

NB: Ik laat hier achterwege dat er nogal wat verschil is in de lezing van de verschillende handschriften van de Griekse tekst van Hand. 15. Duidelijk is dat het hier niet alleen gaat om het punt van de besnijdenis.

Tenslotte de tekst die de vraagsteller aan de orde stelt (Hand. 15:21) waarmee het verhaalde over het apostelconvent wordt afgesloten: Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen. Zie o.a. Neh. 8:2.

We bedenken hierbij dat er inderdaad vanaf de tijd van de verstrooiing van het Jodendom in de wereld rondom in vele steden synagogen waren waarin de Schriften werden gelezen en Mozes a.h.w. preekte. Derhalve konden alle gelovigen (uit het Jodendom en ‘godsdienstigen/proselieten uit de heidenen) die op de sabbat onder het Woord samenkwamen genoegzaam van het boven (onder a.b.c.) genoemde op de hoogte zijn. 

De missionaire brief van Jeruzalems moedergemeente aan het zendingsterrein eindigt dus in feite met een beroep op de Schriften, waarvan acte. Vgl. ook Hand. 13:15. De bepalingen die de lezers worden voorgehouden zijn niet door de apostelen en ouderlingen zelf verzonnen. Ze komen van hogerhand; ze zijn vastgelegd in Gods Woord. Geen titel of jota eraf. Dat geldt ook voor christenen uit de heidenen die van huis uit een totaal andere moraal gewend waren. Vgl. verder Gen. 9:5; Ex. 34:15; Lev. 3:17; 7:26; 17:10vv; 18:20; 19:26; 1 Sam. 14:33 .

Ik denk dus dat het hier niet slechts gaat om de zg. Noachitische geboden of andere verklaringen, zoals u suggereert. Bedoeld is dat ieder binnen de christelijke gemeente zich verre moet houden van aanstootgevende zaken, die verboden zijn door God, vooral omdat zij een groot struikelblok vormen in de samenleving van Jood en heiden in de christelijke gemeente.

Het boven gezegde vat ik nu tenslotte kort samen en geef de betekenis aan voor ons in het heden.

1. De zgn. ceremoniële wetten in het OT (betrekking hebbende op de tempeldienst) zijn voor ons die uit de heidenen zijn, niet te onderhouden. Ze zijn ‘afgeschaft’ (zie de brief aan de Hebreeën).

2.  De zgn. morele/zedelijke wetten (OT en NT) inzake onze verhouding (liefde) tot God en onder elkaar (bijv. de tien geboden van Ex.20 en Deut. 5) gelden voor alle mensen (Joden en heidenen). Wat u wilt, dat aan en door u geschiedt, doe dat ook aan alle anderen.

3. De bepalingen van het apostelconvent (Hand. 15:20) -aanstootgevende zonden-   gelden ook vandaag nog steeds voor Jood en heiden. En dat vooral met het oog op Messiasbelijdende Joden (mogelijk in ons midden).
 
-Houd u verre van alles wat de afgoden van onze tijd (o.a. seksisme) behaagt, 
-Houd u verre van illegitieme liefdesverhoudingen met bloedverwanten,
-Houd u verre van barbaarse eetgewoonten (het drinken van dierlijk bloed) en andere vormen van bloeddorstigheid.

4. Duidelijk is, dat de gelovigen uit de heidenen niet verplicht zijn de besnijdenis te onderhouden. Voor hen geldt dat de doop in de plaats daarvan is gekomen. Zie mijn website, voordrachten, sub bijbels-theologische kanttekeningen, sub: doop in de plaats van besnijdenis.

5. Het valt op dat ook in Hand. 15 het gebod om op de zevende dag van de week de sabbat te vieren niet aan de orde komt als een gebod voor gelovigen uit de volkerenwereld. Spontaan weg is bij de eerste christenen in de afzondering van de eerste dag van de week (zondag) als rustdag in herinnering aan Christus opstanding uit de doden in gebruik gekomen. Die  dag, de dag des Heeren, is daarmee verheven tot sabbat (zie Hebr. 4 en Openb. 1:10).

Mijn antwoord is een tamelijk lang verhaal. Maar wellicht helpt het u wat.

Ds. C. den Boer

Ds. C. den Boer

Ds. C. den Boer

geen reacties

Terug in de tijd

Vorig jaar oktober kregen mijn vriendin en ik verkering. We zijn veel om elkaar gaan geven en het gaat goed, we voelen e...
1 reactie
25-04-2014
We hadden laatst thuis bij de ouders van mijn man een gesprek over het doopformulier. In het doopformulier lijkt het of ...
geen reacties
25-04-2003
Ik ben een meisje van 19 jaar en behoor tot de Hersteld Hervormde Kerk. Nu loop ik al zo’n twee jaar rond met een groot ...
geen reacties
26-04-2018
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering