Gaven van de Geest binnen de reformatorische kerken

Ds. C. den Boer / geen reacties

05-06-2004, 00:00

Vraag

Ik heb een vraag over de plaats van de gaven van de Geest binnen de reformatorische kerken. Paulus noemt in de eerste Korinthe brief (o.a. 1 Kor12) diverse gaven van de geest. Een aantal hiervan is de gave van genezing, de gave van het spreken in tongen en de uitlegging van het spreken in tongen. Ook in het boek Handelingen lezen we op diverse plaatsen over deze gaven en over nog andere bijzondere werken van de Heilige Geest (uitwerping van demonen, het fysiek verplaatsen van Fillipus, enz...). Hoewel er in de evangelische kerken volop aandacht is voor deze bijzondere gaven lijkt het alsof het binnen de reformatorische kerken bijna een taboe is. Wat is volgens u de reden dat er binnen de reformatorische kerken geen (structurele) aandacht is voor deze gaven? Waarom wordt er bijvoorbeeld zo weinig over gepreekt, zelden tot nooit voor gebeden, worden er geen handopleggingen gedaan, eigenlijk al die zaken die Paulus en de andere apostelen wel leken te doen?

Antwoord

Beste vraagstel(st)ler,

In mijn antwoord op je vragen heb ik me vooral geconcentreerd op 1 Kor.12:9 en 10. Ik geef hierin kort weer wat ik indertijd geschreven heb in mijn boek met Bijbelstudies over 1 Korinthe XII-XVI (deel 3); Kampen 1993 (ISBN: 90 297 1160 4). Ook heb ik er nog een paar dingen aan toegevoegd. Je zou voor verdere studie (o.a. over 1 Korinthe 14) het boek kunnen aanschaffen. Vooraf nog enkele opmerkingen:

a) inderdaad is er tot nu toe binnen de Gereformeerde Gezindte al te weinig aandacht geweest voor de zgn. Geestesgaven. Vaak is men  -in navolging van J.Calvijn- ervan uitgegaan, dat deze bijzondere gaven beperkt zijn gebleven tot het apostolische tijdperk, omdat ze de verbreiding van het Evangelie in bijzondere zin dienden. Die mening deel ik echter niet. Er is ook geen grond voor in de Schrift. Naast de zegeningen van de Geest (bijv. wedergeboorte/geloof) en de vrucht van de Geest (Gal.5:22) zijn er ook de gaven van de Geest die zich in de vrijmacht van de Geest ook vandaag binnen de gemeente openbaren.

b) Over het fysiek verplaatsen van Filippus (waarschijnlijk denk je daarbij aan Hand.8:39 en 40) schrijf ik niet. Naar mijn inzicht wordt hier niet gezegd, dat Filippus fysiek in enkele ogenblikken verplaatst werd naar Azote, maar alleen, dat hij uit het gezichtsveld van de Moorman verdween en naar Azote is gegaan om daar het Evangelie te verkondigen.

c) over het thema 'handopleggingen' dat je ook noemt, is in feite een heel verhaal te schrijven. Ook dat heb ik hier terzijde gelaten.

Intussen hoop ik, dat je aan mijn antwoord op je vragen wat hebt. Al moet ik er meteen bijzeggen, dat er nog veel meer over te zeggen is.

Met ene hartelijke groet,

Ds. C. den Boer

Ik laat nu het gedeelte over de Geestesgaven uit het boven genoemde boek volgen.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


OVER 1 KORINTHE 12:9-11

Bergenverzettend geloof

Voor zover wij kunnen oordelen schrijft Paulus daarover ook in 1 Kor.12:9, wanneer hij het geloof onder de gaven van de Geest noemt: En een ander het geloof door dezelfde Geest (vs.9a). Hij heeft het hier dan niet over het geloof in het algemeen als een vrucht van de Geest (Gal. 5:22). Want er is geen levend lid van de gemeente dat dit geloof in de wortel niet heeft. Nee, de apostel doelt hier op de bijzondere geloofsuitingen en -daden die de Geest in de weg van de doorbraak in het geloof geeft. Er staat letterlijk: geloof in de krachtontwikkeling van de Geest. Bergenverzettend geloof.

Daarbij behoeven we niet alleen te denken aan een geìloof dat in Jezus' Naam in staat mag worden gesteld om te genezen en duivelen te bannen. Daarover gaat het vooral in de volgende gave die genoemd wordt in vs. 9. Het kunnen ook andere geweldige dingen zijn, waartoe de Geest de gelovigen in staat stelt. Elia op de Karmel geloofde, dat God machtig was om zijn altaar te doen ontvlammen. En daar kwam een bliksem uit de heldere hemel. En hij geloofde, dat het zou gaan regenen, hoewel het drië en een half jaar droog was geweest. En het ging regenen. Elia bad een gebed. En geen gelovige mag zeggen, dat zoiets vandaag niet meer kan. Elia was een mens van gelijke bewegingen als wij. Een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel. Bergenverzettend geloof. Dwars tegen alle onmogelijkheden in. 'Tegen de klippen op' geloven, dat 'alle dingen die wij de Vader bidden zullen in Christus' Naam, ons door Hem gegeven zullen worden.'

Deze wonderen zijn de wereld echt nog niet uit. Onlangs nog hoorde ik van een vrouw die volgens de doktoren nooit kinderen zou kunnen krijgen. Maar zij is nu in verwachting. Of om een ander voorbeeld te geven: een moeder die altijd geloofd heeft, dat haar kind tot de dienst des Heeren zou worden afgezonderd. En nu dient hij in het ambt ergens in de kerk of op een zendingsterrein.

De ontwikkeling van het geloof tot deze hoge stand is niet in dezelfde mate aan elk gemeentelid gegeven. We moeten ook niet beweren, dat deze bijzondere geloofsuitingen voor elke gelovige een 'must' zijn. Want dan gaan we wettisch' met de dingen om. Nog eens: bepaald niet alle gaven worden aan elke gelovige geschonken.

Toch zou het ook een vreemde zaak zijn, als deze dingen in de gemeente als geheel niet gevonden werden. We mogen er dan ook wel met heel ons hart naar staan om ook zelf deze kracht van het geloof te ondervinden. We moeten ook niet te snel oordelen, dat dit 'bergenverzettend geloof’ iets is, dat een mens zich maar inbeeldt. Ook al komt dat zeker voor.

Waarbij kan ik het dan weten, dat de dingen waarvan ik geloof, dat die geschieden zullen, ook werkelijk zullen gebeuren? Dat kan ik weten, als ik er zeker van mag zijn, dat de Heere er garant voor staat in Zijn Woord en als ik er zeker van ben, dat ik er niets anders mee beoog dan de eer van Gods Naam en het heil van mijn naaste. Als een kleine David die geen moment eraan twijfelde, dat hij met een slinger en een steen de reus Goliath kon vellen. Zo kan ik het bijvoorbeeld ook geloven, dat Israel zich nog eens zal wenden tot de Messias Jezus. Want heeft de Heere het niet beloofd, dat ‘gans Israel zalig zal worìden'? (Rom.11:25).

Vergeten we evenwel ook hier niet, dat we over dit geloof in zijn krachtmeting niet beschikken. Het blijft een zaak die ons keer op keer van boven moet worden gegeven.

De gaven der gezondmakingen

Na ‘woord der wijsheid’, ‘woord der kennis’ en ‘geloof wordt er ook een vierde punt uit de opsomming van de Geestesgaven in 1 Kor.12:8 tot 10 genoemd. En een ander de gaven der gezondmakingen, door dezelfde Geest (vs.9b).
We zouden deze gaven een bepaalde vorm van de vorige kunnen noemen. Het gaat hier over het geloof in zijn dieptewerking. Een hoge stand van het geloof. Dat is niet hetzelfde als een hoogstandje van het geloof. het is een kracht van het geloof, maar dan zich richtend op het genezen van zieken.

Ook hiervan kan ik een voorbeeld geven. Uit eigen pastorale praktijk. Het is mijzelf namelijk wel eens overkomen, dat ik als predikant geroepen werd bij een stervende mevrouw in een ziekenhuis. De familie stond rondom het ziekbed te wachten op het einde. En toen ik hen gevraagd had mij een ogenblik alleen te willen laten met de zieke, heb ik gebeden. Om het eeuwig behoud van haar die ik bezocht. Maar ook om haar genezing. En diep in mijn hart mocht ik het ook tijdens het gebed geloven, dat God haar niet zou laten sterven. Ons bidden is een bestorìmen van de hemel geworden. En God heeft het verhoord. Niet om, maar op het gebed deed Hij grote wonderen.

Ik ben het eens met een Engelse verklaarder die in dit verband schrijft: 'Alleen onder de intellectuelen en in een 'wetenschappelijk tijdperk’ (helaas ook door vele christenen vandaag) wordt het voor God te moeilijk geacht om de zieken te genezen.

Betekende dat, dat ik na die heerlijke ervaring voortaan bij elk ziekbed in datzelfde geloof om genezing heb gebeden? Nee. Van gebedsgenezing is geen methode te maken, zoals dat bij sommige gebedsgenezers van professie het geval is. Met alle gevaren van massasuggestie. Het mag ons trouwens wel opvallen, dat in 1 Kor. 12:4 in het meervoud geschreven wordt over: gaven van geìzondmakingen. En dat zal er wel op wijzen, dat dit chaìrisma van de (gebeds)genezing geen permanente gave is, door God aan iemand levenslang geschonken, maar iets dat 'incidenteel' gebeurt en dat, als het gebeurt, spontaan van boven komt.

Wij hebben ons intussen wel af te vragen, of ons verìtrouwen op artsen en medicijnen in onze rijd niet zo groot is geworden, dat we geen verwachting meer hebben van een wonderbaarlijk ingrijpen van God. En is ons bidden daarom voor elkaar niet lamgeslagen? Bidden wij niet vaak veel te vrijblijvend? Weet God soms ook geen raad meer, als wij met de handen in het haar zitten?

De explosiviteit van het geloof

Nog een viertal gaven van de Geest worden door Paulus opgesomd in vs. 10 van 1 Korinthe 9. Allereerst: En een ander de werkinìgen der krachten (vs. 10a). Het is niet gemakkelijk ons een voorstelling te maken van wat de apostel hiermee op het oog heeft. Hij gebruikt immers een vrij algemene uitdrukking die hij niet concreet invult. Duidelijk is wel, dat het hier gaat over inwerkingen van Gods Geest in het leven van de volgelingen van Christus waardoor zij tot krachtige daden in staat zijn en zelfs over de duivel en zijn trawanten heerschappij kunnen voeren. In geìloofsverbondenheid met Hem, door de Geest van Pinkìsteren, hun beloofd, zijn zij aangedaan met (heils-) kracht uit de hoogte. Daardoor staan zij sterk in alle aanìvechtingen van de satan. Daardoor krijgen zij zulk een groot uithoudingsvermogen, dat zij zelfs met Daniël in de leeuwenkuil de muil der leeuwen toestoppen.

Bekrachtigd door diezelfde Geest mogen zij ook in het offensief gaan en explosieven leggen ouder het Rijk van de duivelen in deze wereld. De duivelen zijn hun onderworpen; de satan valt als een bliksem uit de hemel. Het is door die werkingen van krachten, dat de apostelen het bedrog van Ananias en Sapphira ontmaskerden en de toverijen van Elymas op het eiland Cyprus.

Ook bij deze gave van de Geest mogen we ons wel afvraìgen, wat daarvan in de christenheid van onze dagen nog is overgebleven. Gaat er van de volgelingen van de Heere Jezus nog enige kracht uit? Durven wij de satan te weerstaan? Geeft ons geloof ons de dynamiek en de moed om resoluut de duivel de deur te wijzen? Onlangs hoorde ik van iemand die opstond met een hoofd vol duivelse gedachten. En wat deed hij? Hij stapte naar het raam van zijn slaapkamer, zette het wagenwijd open en zei: 'Eruit, duivel.' In een woning waar Christus Koning is, is de duivel niet meer de baas. Heeft Christus de overste van deze wereld niet overwonnen? En zijn de Zijnen daardoor niet gedekt tegen het woeden van de hel? Daarom behoeven zij ook geen mensenvrees te hebìben. Van de volgelingen van de Heere Jezus die onverschrokken getuigden voor het Joodse sanhedrin, staat geschreven: 'En zij kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren’ (Hand.4:13).

De gave van de profetie

En dan noemt de apostel in vs.10 van 1 Kor.12 nog enìkele andere gaven van de Geest: En een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen (vs. 10b).
Over de profetie en over het spreken in een vreemde taal gaat het uitvoerig in hoofdstuk 14 van de eerste Koìrinthebrief. Daarom zijn we er hier kort over. Wij kennen de profeten van het Oude Testament: mannen Gods die geïnspireerd door Gods Geest in Gods Naam gericht en genade verkondigden. Zij droegen het Woord van God over, dat zowel op het verleden als op het heden en ook wel op de toekomst betrekking had. Dat laatste dus zeker niet alleen. Profeten zijn geen (extatische) toekomstvoorspellers.

Ook in het Nieuwe Testament komen we tamelijk veelìvuldig het verschijnsel van de profetie in de eerste chrisìtengemeenten tegen. Vgl. o.a. Hand.11:27vv; 21:9v; Rom.12:6v; 1 Kor.12:28; 1 Kor.14: Ef.3:5; 4:11; 1 Thess.5:19v Sinds de uitstorting van Gods Geest op alle vlees is deze gave van de profetie dan echter niet meer het privilege van enkelen. Zij is aan Christus' gemeente gegeven. Profeten in de eerste christengeìmeente doorlichtten, gedreven door de Geest van Pinksteren, het Woord en het heilsplan van God en gaven van daaruit praktische vermaningen en opwekkingen die voor de gemeente in het leven van alledag van belang waren.

Wij kunnen ons dit als volgt voorstellen. Waarschijnlijk gingen sommige christenen tijdens de samenkomsten van de gemeente spontaan (momentaan; dus zonder dat daar een schriftelijke voorbereiding aan vooraf was gegaan) het woord voeren. Zij voelden zich gedreven om uit te spreken wat Gods Geest hun in het hart gaf.Ter bemoediging en tot opbouw van de gemeente.

Ook hier kunnen wij ons afvragen, of deze uiting van de Geest alleen in het tijdperk van de apostelen is voorgeìkomen en later, toen de canon van de Heilige Schrift werd afgesloten, terecht is verdwenen. Omdat daarmee het spreken door de Geest in de Bijbel was vastgelegd en gelovigen daarom niet meer waren aangewezen op een direct spreken van Gods Geest in hen.

Dit is echter een misverstand. Net zo goed als er door de eeuwen heen - niet alleen in de begintijd dus - in Christus' gemeente leraars zijn geweest, die de gelovigen nader onderrichtten in de leer der apostelen, net zo goed hadden er ook profeten kunnen blijven in de betekenis die we zojuist hebben aangegeven (vgl. Hand.13:1, 2).

Helaas, deze gave van de profetie is geleidelijk aan weggeëbd. In de tijd van de Reformatie zien we er weer wat van terugkeren, bijvoorbeeld in de Londense vluchtelingen-gemeente van Marten Micron (1523-1559), waar gemeenteleden de gelegenheid kregen om wat hun door hun voorgangers in de prediking werd voorgehouden, in het openbaar te bespreken en te beproeven. Zij bevroegen hun leraars op hun prediking. Tevens kregen zij ook gelegenheid om naar het hun geschonken inzicht de Bijbel uit te leggen, tot stichting van de gemeente.

Het kan duidelijk zijn, dat hier ook gevaren dreigen. O zo gemakkelijk gelooft een mens, dat wat er in zijn hart leeft, van God komt, terwijl het intussen toch niet meer is dan een idee van hemzelf. Maar hoe veel er echter op dit punt ook mis kan gaan, laat ons opmerken wat de Geest tot de gemeenten zegt. Laat de stem van de gemeente niet gesmoord worden. Laten veeleer profetische inzichten van gemeenteleden maar tot hun recht komen. Dat kan in een Bijbelstudiekring waar gemeenteleden zich over de Schrift heen buigen en zich met elkaar biddend afvragen, wat God door Zijn Woord hun te zeggen heeft in het veel beproefde en bestreden bestaan van ons mensen in de 20e eeuw.

Het onderscheiden van de geesten

Maar betekent dit nu, dat wij klakkeloos voor waar moeìten houden, wat allerlei geesten ons menen te moeten verkondigen? Is daar ook niet het gevaar van een misleiìdend spreken door dwaalgeesten? Oudtijds en ook in onze tijd? (vgl. Hand.16:l6vv). Hoeveel pseudo-religies vragen vandaag niet onze aandacht? Hoe vele gemeenteleden zijn er al niet ten prooi gevallen aan ideologen en theologen die met een vindingrijke woordenschat en in boeiende betogen reclame weten te maken. Hoe velen worden er niet op sleeptouw genomen door de mannen van het 'zwarte gat met hun verhalen over astrale gestalten en spoken in Overijsselse kastelen en in de grotten van Valkenburg? Zij hebben het enig houvast in leìven en sterven ingeruild voor waanzinnige gedachteìspinsels. De geesten onderscheiden, dat betekent ook, dat wij de tijdgeest (van normvervanging en ethische degeneratie) weten te ontmaskeren ‘Geliefden, gelooft niet een iegelijke geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn. En doe dat vooral ook in eigen kring. Niet voor niets laat Paulus meteen op de gave van de profetie ook de gave van het onderìscheiden der geesten volgen in 1 Kor.12:10. Ook binnen de gemeente moeten de geesten der profeten worden getest (vgl. 1 Kor. 14:29 vv). Ook binnen de geìmeente is het mogelijk, dat mensen vreemd vuur op Gods altaar leggen. Soms gaat dat zelfs zover, dat er geroepen wordt: 'Ziet hier is de Christus of daar.' Jezus zei: 'Gelooft het niet.'

Daarom moet elke profetie ook altijd worden onderzocht op haar waarheidsgehalte. Ook al beweren mensen nog niet, dat zij de Christus zijn.

In Christus' gemeente kan niet ieder zomaar zijn zegje doen. En niemand moet voetstoots geloven, dat gevoelens die iemand uit, altijd een zuivere weerspiegeling zijn van de mening van de Geest. Kijk het nog maar eens goed na. Als het niet overeenkomt met wat de Heere ons in de Bijbel zegt, werp het verre van u. Als het alleen maar het vrome en goddeloze vlees streelt, houd het voor verdacht.

Tong(en)taal

We komen nu tot een afsluiting van onze behandeling van de opsomming van Geestesgaven die Paulus in 1 Kor.12:9,10 geeft. De twee laatste gaven - het spreken in menigerlei talen en het uitleggen daarvan - bespreken we nu niet breedvoerig. We komen er op terug hij onze behandeling van 1 Kor.14. Omdat deze dingen in dit hoofdstuk vee! aandacht krijgen. Vooral ook, omdat in Korinthe deze Geestesgave blijkbaar op de spits werd gedreven.

Het verschijnsel van de ‘tongentaal' is zeker niet gemakkelijk te verklaren. Paulus geeft het in elk geval een plaats te midden van alle andere gaven van de Geest. Het gaat hier om een spreken met tongen en in talen die niet geleerd zijn op een taleninstituut. Om het uiten van klanken die in het algemeen onverstaanbaar waren voor mensen in de gemeente (vgl.1 Kor.14:14, 16).

Tongentaal van allerlei soort. Dit spreken waartoe sommige gemeenteleden zich bij tijden gedrongen wisìten, richtte zich direct tot God, als het spreken van de engelen. Was het een soort paradijstaal? Of mogen wij aannemen, dat de menigerlei talen van Korinthe's gemeente bestaande talen waren, die elders in de wereld gesproken werden (vgl. Hand.2)?

Het moet in ieder geval hij omstanders overgekomen zijn als een 'geestdriftig' uiten van vreemde klanken door een tong die bezweek onder de overmacht van de Geest en in een taal die slechts voor enkelen (de spreker zelf en hen die de gave van de uitleg hadden) toegankeìlijk was. Het vertolken van deze uiting van de Geest acht Paulus noodzakelijk, omdat Geestesgaven altijd dienen moeten tot de stichting van de gemeente. Verder is het uit 1 Kor.14 (zie vooral de vss.1-3) duidelijk, dat de apostel het spreken in vreemde talen zeker niet als de belangrijkste Geestesuiting ziet. Hij geeft hier duidelijk voorrang aan de gave van de profetie.

Nog een keer vragen we, of deze gave van de Geest zich ook in onze tijd niet kan openbaren. Ik zou zeggen: Waarom niet? Wij mogen toch niet vanuit een van tevoren ingenomen standpunt de dingen die we hier in onze Bijbel tegenkomen, aan de kant schuiven, door ze voor tijdgebonden (gebonden aan het apostolisch tijdperk) te verìklaren? Daarom doen we er niet goed aan het spreken in tongentaal bij voorbaat als iets verdachts van de hand te wijzen. Wanneer de gemeente in onze dagen tot een ware vernieuwing zou komen, zouden dan ook deze bijzondere gaven van de Geest niet weer voor de dag kunìnen treden?

Gods Geest is vrijmachtig. We moeten hier echter tegeìlijk goed oppassen voor 'Geestdrijverij'. Het is immers zeker niet zo, dat een gemeente waarin het spreken in vreemde talen niet gevonden wordt, beneden de maat is en dus niet de gemeente van onze keus zou moeten zijn. God beware er ons voor, dat we het meest uitbundige en bijzondere voor het meest eigenlijke zouden houden.

Wij besluiten met wat Paulus schrijft in vs. 11 (van 1 Kor. 12): Doch al deze dingen werkt één en dezefde Geest, delende aan een ieder in het bijzonder, gelijk Hij wil. In een levende gemeente zullen zich ook de gaven van de Geest openbaren. Want het leven uit de Geest is geen karig leven. En de Geest waait waarheen hij wil...(Joh.3:8). Hij deelt aan ieder uit naar Zijn welbehagen Daarom mag niemand ooit zeggen, dat hij tekort komt. En niemand moet ooit denken, dat zijn gave de beste is. Laten we al deze dingen zien als komende van de ene Geest en daarom als bouwstenen voor de opbouw van Gods gemeente op de aarde.
Dat leven uit de hand van Gods Geest is een rijk leìven. Er zijn mensen die er alleen op uit zijn om het breed te hebben in de wereld. En ze willen tegelijk ook zo lang mogelijk van het leven genieten. Meer niet. Zo'n leven echter heeft wel breedte en lengte en het beìslaat misschien wel een grote oppervlakte. Maar inhoud heeft het niet. Ons bestaan krijgt alleen echt inhoud, als Gods Geest ons binnenvoert in de diepte en de hoogte van Gods ondoorgrondelijke liefde en genade en in de schatkamers van al de gaven van Zijn Geest.

Noot. Als wij de opsommingen van Geestesgaven in Rom. 12:4vv, 1 Kor. 12-14 (12:8-10,28vv; 13:1-3,8; 14:6,26) en Ef.4:11 met elkaar vergelijken, blijkt, dat er telkens verschillen zijn. Paulus maakt steeds weer andere keuzes, afhankelijk ook van wat er in de verschillende gemeenten van die gaven openbaar zal zijn gekomen. Hij houdt dus niet overal een lezing over altijd voorkomende Geestesgaven, maar geef steeds een lezing uit de veelheid van de gaven van de Geest.

De gaven van de Geest zijn ook niet naar rangorden te classificeren. Wel zouden we in 1 Kor. 12: 8,9 drie categorieën kunnen ontdekken: a) bezinning en instructie (wijsheid, kennis); b) werfkracht en weerbaarheid (geloof, genezingen, krachten) en c) communicatie (profetie/ kritische beoordeling ervan en tongentaal/ uitleg ervan.

Ds. C. den Boer

Ds. C. den Boer

Tags in dit artikel:

gaven van de Geest
geen reacties

Terug in de tijd

Ik ben niet met het geloof opgevoed, ik ga nog maar een aantal jaar naar de kerk. Ik ben niet gedoopt toen ik klein was....
geen reacties
06-06-2019
Aan ds. Vergunst uit Nieuw-Zeeland. Luther zegt dat als je in waarheid boetvaardig bent, dat je dan je zonden steeds voo...
geen reacties
05-06-2008
Vandaag zag ik bij mijn dochtertje van 9,5 jaar een paar schaamharen. Ik schrok daar eigenlijk wel van. Is dit niet vroe...
3 reacties
05-06-2012
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering