Opvallende uitspraak van Nehemia

Ds. J. C. Schuurman / geen reacties

13-10-2006, 00:00

Vraag

Nehemia 13 vers 21: “Zo gij het wederdoet, zal ik de hand aan u slaan.” Is dit een bedreiging? Is dit rechtvaardig? Mag Nehemia dit zeggen? Zou hij het echt gedaan hebben, waarom? En hoe zit het met David, die graag wilde dat zijn vervolgers gedood zouden worden, zouden sterven. Mag hij dat zomaar zeggen? Liefhebben van de naaste? Of is dit gebod pas later ingesteld? Of heeft dit hier niet mee te maken?

Antwoord

Beste jongere,
 
De vraag die je stelt is niet eenvoudig. Ik kan me heel goed voorstellen dat je vreemd opkeek toen je Nehemia 13:21 las. Het klinkt inderdaad nogal fors wat Nehemia zegt: “Ik zal de hand aan u slaan.” En zou hij het inderdaad gedaan hebben als het nodig was? Dat laatste weet ik niet. In ieder geval is het wel duidelijk dat het om een dreigement gaat. Nehemia geeft aan dat hij desnoods geweld zal gebruiken om het ontheiligen van de sabbat tegen te gaan.
 
We letten even op het verband. Het boek Nehemia neemt ons mee naar de tijd na de ballingschap. Een deel van de ballingen is teruggekeerd uit Babel en het verwoeste Jeruzalem is herbouwd. Nehemia heeft bij de herstelwerkzaamheden een grote rol gespeeld. Hij is duidelijk door God gebruikt. Vanaf hoofdstuk 8 is er ook sprake van een geestelijke vernieuwing. De wet van God is voorgelezen en de eredienst is hersteld. Helaas blijkt het volk Israël in hoofdstuk 13 terug te vallen in zondige gewoonten. Voor Nehemia is dit een grote teleurstelling. Hij gaat er bewogen en ook heftig tegen in. Het is belangrijk om scherp te zien dat Nehemia volstrekt aan Gods kant staat. Hoewel hij in dit hoofdstuk misschien wat al te fel is, komt zijn optreden wel voort uit een diepe liefde voor de dienst, de wet, de eer en de Naam van de Heere. Daar kunnen wij van leren. Dikwijls laten wij Godonterende dingen in de samenleving maar zo gebeuren, zonder te protesteren. In hoeverre maken we ons zorgen om Gods eer? Wij kunnen (juist als kerken in ons land) zo lauw zijn.
 
Nehemia stuit in hoofdstuk 13 op verschillende dingen. O.a. op verwording van de rustdag. Het lijkt wel een doordeweekse dag. Er wordt gewerkt en gehandeld. Zwaar beladen ezels komen Jeruzalem binnen. Het is Nehemia een raadsel hoe dit kan. Hij neemt forse maatregelen. De poorten van de stad gaan dicht op de sabbat. En als kooplui proberen om hun handel voort te zetten buiten de stad, jaagt Nehemia ze weg. Daarbij gebruikt hij in vers 21 de woorden waar jij naar vraagt. Woorden die een dreigement bevatten.
 
Gaat Nehemia te ver? Mag je zeggen dat je de hand aan iemand zult slaan? Mogelijk is Nehemia te fel (zoals ik al schreef). Die indruk krijgen we ook in vers 25 als hij mannen, die met heidense vrouwen trouwen, ô stevig vastgrijpt aan hun baarden, dat hij met plukken haar in zijn handen staat. Het is mogelijk dat Nehemia's 'oude mens' te veel opspeelt. Ook mensen die echt de Heere vrezen, hebben correctie nodig omdat ze verkeerd kunnen optreden.
 
Anderzijds is het wel opvallend dat Nehemia in dit hoofdstuk telkens bidt of God hem wil gedenken (= genadig zijn). Zie de verzen: 14, 22 en 31. Hij weet zich van de Heere afhankelijk, beseft ook genade nodig te hebben. Dat geeft aan Nehemia's optreden in dit hoofdstuk ook iets zuivers.
 
En ja, dan ook die andere vraag die je stelt: hoe zit het met David die zijn vervolgers gedood wil hebben? Ik denk dat je doelt op de wraakmomenten in enkele psalmen. Dat zijn lastige gedeelten om te verstaan. Daar komen we niet helemaal uit. Ik wil er twee dingen van zeggen:

1. het gaat bij de psalmdichters niet om persoonlijke wraakzucht. Als er gebeden wordt om verdelging van vijanden, dan is dat vooral omdat Gods zaak in het geding is. De dichters bedoelen: Heere, U kunt het toch niet langer gedogen dat de komst van Uw Rijk wordt tegengewerkt.

2. We krijgen de indruk dat het Nieuwe Testament een wat andere toon laat horen. Met name Jezus' onderwijs in de bergrede en vermaningen in de brieven. Gold in het Oude Testament naasteliefde vooral binnen Israël (Lev. 19:17-18); in het Nieuwe Testament dient onze liefde zelfs naar vijanden uit te gaan (Mattt. 6:44 en Rom. 12:20). Hier is sprake van een voortgang van Gods openbaring binnen de Heilige Schrift.
 
Uiteraard kan er alleen liefde tot een vijand/vervolger worden opgebracht, als de liefde van Christus ons vervult. Anders is het een onmogelijke opdracht. Liefde tot vijanden is een kwestie van genade.
 
Dat neemt ondertussen niet weg dat we van Nehemia kunnen leren wat het is om heilig verontwaardigd als Gods inzettingen worden vertrapt. Een zekere (beheerste) felheid is niet verkeerd. Als het ons werkelijk maar om Gods eer begonnen is.
 
Hopelijk hoopt het bovenstaande je om wat inzicht te krijgen in de vragen die je stelt.

Hartelijk dank voor de vragen, en een vriendelijke groet,
Ds. J. C. Schuurman, Boven-Hardinxveld

Ds. J. C. Schuurman

Ds. J. C. Schuurman

  • Geboortedatum:
    17-06-1955
  • Kerkelijke gezindte:
    PKN (Hervormd)
  • Woon/standplaats:
    Boven-Hardinxveld
  • Status:
    Inactief
  • Bijzonderheden:

    In 2020 met emeritaat.

geen reacties

Terug in de tijd

Het is zo dood in mijn hart! Er is werkelijk niets dat naar God vraagt. Helemaal niets! Alles is zonde, alles is dood, a...
5 reacties
13-10-2015
Ik (meid) heb sinds 1,5 jaar vriendschap met een (meid). Ik merk steeds dat ze echt over iedereen negatief spreekt. Als ...
5 reacties
13-10-2017
Wij als ouders zitten met een lastig probleem. Onze zoon van 13 jaar heeft soms negatieve of misschien wel depressieve g...
1 reactie
13-10-2011
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering