De kinderen der gelovigen zijn heilig

Ds. W. Pieters / 2 reacties

18-11-2015, 09:21

Vraag

In de Dordtse Leerregels (DLR) hoofdstuk 1 artikel 17 staat dat “...de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond...” Dit is gebaseerd op 1 Korinthe 7: 14 waarin staat dat God de kinderen als één met hun gelovige ouders rekent. Waarop baseren de DLR dat “dit is op kracht van het genadeverbond”? In 1 Korinthe 7:10-16 wordt er niet gesproken over het genadeverbond. Mag je dan wel in één keer de lijn doortrekken vanuit Genesis 17:7 (en Handelingen 2:39) naar 1 Korinthe 7:14? Bevind je je niet op glad ijs om vanuit Genesis 17:7 zo een lijn door te trekken naar 1 Korinthe 7: 14 en te stellen dat de kinderen door de doop geheiligd zijn in hun ouders? Is het bijbels of menselijk redeneren dat jonggestorven kinderen op deze manier zalig zullen zijn?

Antwoord

Hoe ziet de Heilige Schrift onze kinderen? Wanneer Paulus in Efeziërs 2 vers 3 schrijft over zijn eigen jeugd, is zijn oordeel: “Wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.” Hij was een verbondskind, een nakomeling van Abraham, besneden ten achtsten dage enzovoort. Maar hoe waar dat alles ook was, hij vertelt ons toch, dat hij van nature een kind des toorns was, net als de heidenen. Er was dus wat zijn natuur betreft geen verschil. Hij schakelt alle kinderen hier gelijk.

De Schrift leert ons hier duidelijk dat ook verbondskinderen wedergeboren moeten worden, omdat ze het niet automatisch zijn. Dat zien we ook bij een ander verbondskind, Nicodemus (Johannes 3 vers 1-5). Hij was een jood en stamde eveneens af van Abraham, Izak en Jakob. Toch vertelt Jezus hem dat dát hem niet helpt om zalig te worden. Alleen dán zal iemand (Nicodemus inclusief) het Koninkrijk Gods zien en ingaan, wanneer hij wedergeboren wordt. Dus ook verbondskinderen moeten wedergeboren worden.

De Heilige Schrift heeft het op twee manieren over de schapen van Jezus Christus. Enerzijds gaat het dan over hen uit het volk Israël en uit de heidenen die zeker zalig zullen worden (Johannes 10). Jezus maakt daar duidelijk dat niet alle Israëlieten, niet alle verbondskinderen Zijn schapen zijn (vers 26). Aan de andere kant gebruikt Jezus in Lukas 15 de beeldspraak van een herder met zijn schapen om duidelijk te maken dat alle Israëlieten schapen van de kudde zijn, en dat dus ook de afgedwaalde tollenaars erbij horen. Maar niet alleen hóren ze erbij, ze moeten er ook bij worden gebrácht. Deze beeldspraak vinden we meermalen in de Schrift, denk aan de woorden van Jezus in Mattheüs 15 vers 24 tot de Kananese vrouw. Hij zegt haar: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israël.” En wanneer Jezus de geestelijke toestand van Zijn volksgenoten beschrijft, dan vergelijkt Hij ze met schapen, die geen herder hebben (Markus 6 vers 34; zie ook Mattheüs 10 vers 6).

In díe betekenis kunnen we van onze kinderen zeggen dat ze schapen van het huis Israël, van de verbondsgemeente zijn. Namelijk verloren schapen... En dan kunnen we er meteen bij denken, wat Jezus zegt in Mattheüs 19 vers 14. Hij laat de kinderkens tot Zich komen en zegt: voor zulke kinderen is het Koninkrijk der hemelen. Voor welke kinderen? Kanttekening 17 zegt: “namelijk de kinderen des verbonds, gelijk de kinderen der Joden waren. Anderszins worden de kinderen der ongelovigen onrein genaamd, I Korinthiërs 7 vers 14.”

In deze uitdrukking klinkt duidelijk door dat de kinderen der joden bij de verbondsgemeente horen en dat Jezus hen daarom graag tot Zich laat komen. Dat geldt uit de aard der zaak ook van onze kinderen. Volgens Calvijn op dit vers geldt van onze kleine kinderen, dat ze “door God aangenomen en in het bloed Zijns Zoons gewassen worden.” Een zeer diepe uitdrukking...!

Als we echter denken dat onze kinderen uit kracht van het verbond op zaligmakende manier een schaapje van de Goede Herder zijn, vergissen we ons. Aan de andere kant is het ook waar: wanneer we onze kinderen niet durven wijzen op de heerlijke verbondsvoorrechten die zij in Christus bezitten, omdat ook verbondskinderen een nieuw hartje moeten ontvangen, dan vergissen we ons ook! Al wordt er aan misbruik gemaakt van de omschrijving “verbondskind”; dat neemt niet weg dat we de uitdrukking mogen gebruiken. De Heilige Schrift zelf gaat er ons in voor. Kijk eens naar wat Paulus schrijft in I Korinthiërs 7 vers 14. Hij zegt dat de kleine kinderen der gemeente heilig zijn en niet onrein. Onze kinderen zijn geen onreine kinderen, zoals de heidenkinderen! Onze kinderen zijn (in onderscheid met hen die geen verbondskinderen zijn) heilig! Wat betekent dit? De apostel schrijft het er in het verband van dit vers niet bij. We moeten dan ook zorgvuldig de zin en mening van de Geest proberen te verstaan. Zeker is dat Paulus het niet bedoelt op een zaligmakende manier. Hij schrijft namelijk in dit vers ook dat de ongelovige man geheiligd wordt door de vrouw en de ongelovige vrouw geheiligd wordt door de man. We begrijpen dat een ongelovige man niet op zaligmakende manier geheiligd wordt door zijn huwelijksleven met een gelovige, godzalige vrouw en andersom ook een ongelovige vrouw niet door haar huwelijksleven met een gelovige en godvrezende man. Zalig worden is een persoonlijke zaak en de huwelijksgemeenschap, al is deze nog zo innig, maakt niet zalig.

De apostel schrijft echter toch, dat die ongelovig blijvende man heilig, geheiligd is! Wat bedoelt de apostel? Volgens de kanttekening gaat het erover dat de gelovigen erfgenamen zijn van Gods verbond. En dit zijn ze niet individueel, strikt persoonlijk, maar dit zijn ze met hun kinderen. En de ongelovige wederhelft van het huwelijk kan dat feit niet ongedaan maken, “omdat Gods genade in het heiligen van zulk huwelijk krachtiger is dan het ongeloof van de andere wederhelft, om het te ontheiligen.”

Johannes Calvijn tekent bij dit vers aan: “zij leert, dat de kinderen der gelovigen door enig voorrecht van de anderen worden afgezonderd, dat zij heilig in de gemeente gerekend worden. Maar hoe zal deze mening overeenkomen met wat hij op een andere plaats zegt, namelijk dat wij allen van nature kinderen des toorns zijn (Efeziërs 2 vers 3)? Of met de woorden van David: zie, ik ben in zonde ontvangen, enz. (Psalm 51 vers 7). Ik antwoord, dat de verbreiding der zonde en der verdoemenis in het zaad van Adam algemeen is; zo worden dan alle mensen onder deze vervloeking besloten, zowel die uit gelovigen als uit ongelovigen voortkomen... Zo is dan in allen de toestand der natuur enerlei, dat zij beiden aan de zonde en aan de eeuwige verdoemenis onderworpen zijn. Maar dat de apostel hier aan de kinderen der gelovigen een bijzonder voorrecht toeschrijft, dat vloeit uit de weldaad van het verbond, waardoor de vervloeking der natuur uitgewist wordt. En degenen, die van nature onheilig waren, worden door de genade aan God geheiligd. Hieruit betoogt Paulus in Romeinen 11 vers 16, dat Abrahams hele geslacht heilig is, omdat God het verbond met hem gemaakt had. Als (zegt hij) de wortel heilig is, dan zijn ook de takken heilig. En God noemt Zijn kinderen allen die uit Israël gegenereerd zijn... Als de kinderen der gelovigen uit het algemene lot van het menselijk geslacht genomen worden om voor de Heere afgezonderd te worden, waarom zouden wij hen dan het teken weigeren? Als de Heere hun door Zijn Woord in Zijn gemeente toelaat, waarom zullen wij hun het teken onthouden?”  Tot zover Calvijn op I Korinthiërs 7 vers 14.

Wij moeten niet wijzer zijn dan God. Als Hij Zelf zegt dat onze kinderen heilig zijn en niet onrein zijn, waarom zeggen we dat onze kinderen dan niet? Vergist God Zich? Gebruikt Hij gevaarlijke uitdrukkingen? Hiermee wordt niet ontkend dat kinderen van gelovigen wedergeboren moeten worden, maar dat Zijn verbond van heel grote waarde is. En wel zo’n grote waarde, dat we onze kleine kinderen niet mogen zien als gedoopte heidenkinderen. Nee, ze zijn in Gods verbond en in Zijn gemeente begrepen. En in datzelfde verband en vanuit diezelfde opvatting belijden de Dordtse Leerregels, dat jong gestorven kinderen van godzalige ouders niet verloren zijn.

Het staat in artikel 17 van hoofdstuk 1. In dat hoofdstuk gaat het over verkiezing en verwerping. De Dordtse Leerregels handhaven daarin met kracht Gods soeverein welbehagen. De tegenstanders van de rechtzinnige synode, de remonstranten dus, beweerden op grond van deze opvatting dat dus de meeste kleine kinderen der gelovigen niet uitverkoren waren. Ze zeiden het heel gemeen: “veel onschuldige kinderen der gelovigen worden van de borsten van de moeders afgerukt en wreed in het helse vuur geworpen.” Wat bedoelden die lasteraars met deze vreemde uitspraak? De kindersterfte was in die eeuwen zeer hoog. Vier van de vijf kinderen stierven op heel jonge leeftijd. Ze waren nog maar baby’s. Moeders hadden de kinderen nog aan de borst. Dan stierven ze al. En de remonstranten zeiden nu van de zuivere leer der verkiezing: “weet u wat deze leer inhoudt? Deze leer betekent, dat veel kinderen van gelovigen als verworpenen moeten worden beschouwd. Immers velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Dus van al die jong stervende kinderen zijn er maar een paar die uitverkoren zijn en dus zalig worden; en de meesten van hen zullen wel verworpenen zijn en dus in het helse vuur belanden.” Onze vaderen op de Dordtse Synode verfoeien zo’n manier van spreken. Ze zeggen: dat beweren of belijden wij in het geheel niet en dat komt ook niet in onze gedachten op. Het ligt juist heel anders!

Hoe dachten onze oudvaders uit al de landen van West-Europa dan over de kinderen der gelovigen? In artikel 17 staat: “Aangezien wij over de wil van God ons een mening moeten vormen uit Zijn Woord – dat getuigt dat de kinderen van de gelovigen heilig zijn (niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, waarin zij met hun ouders begrepen zijn) –, daarom moeten godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun kinderen die God in hun kindsheid uit dit leven weg neemt (Genesis 17 vers 7; Handelingen 2 vers 39; I Korinthiërs 7 vers 14).”

Onze vaderen werpen het ver van zich dat de kinderen van gelovigen verworpen zouden zijn. Hoe komen ze daarbij? Dat besluiten zij vanuit Gods Woord. We moeten over Gods wil een mening vormen, niet op grond van ons gevoel, niet op grond van ons verstand, maar op grond van Gods eigen Woord. Wat zegt Gods Woord nu over de kinderen van gelovigen? Dat zij heilig zijn. En als teksten halen ze dan aan Genesis 17 vers 7; Handelingen 2 vers 39 en I Korinthiërs 7 vers 14. Op grond van deze (en andere) woorden der Heilige Schrift belijdt de Dordtse Synode dat godzalige ouders niet moeten twijfelen aan de verkiezing van hun jong gestorven kinderen. Ook al heeft God er geen bijzondere openbaringen, visioenen, dromen of bekendmakingen over gedaan aan de diepbedroefde ouders, toch mogen zij op grond van het waarachtige en dierbare Woord van God zelf er zeker van zijn (en dus mogen ze er niet aan twijfelen!), dat hun jong gestorven kind eeuwig zalig is.

Welke gelovige redenering van onze vaderen zit hierachter? Deze: de kinderen zijn met hun ouders in het genadeverbond. Als die ouders gelovig of godzalig zijn, dan zijn die ouders immers in het genadeverbond. Dit genadeverbond omvat ook de kinderen van zulke ouders (dat vinden we in Genesis 17 vers 7) en dus zijn die kinderen heilig (zie I Korinthiërs 7 vers 14, waar Paulus dat uitdrukkelijk beweert).

Al is het niet het belangrijkste, toch is het wel interessant en ook in zekere zin wel belangrijk om te weten, wat mensen hebben gezegd en gedacht. Al gaat het uiteindelijk om de zin en mening van de Heilige Geest alleen, toch is het weten van de mening van godzalige predikers uit verleden dagen misschien een middel voor ons om de mening van de Geest te mogen leren. Immers zijn wij niet de eerste generatie die nadenkt over de inhoud van Gods Woord! En het zou kunnen zijn, dat zij die in voorgaande eeuwen daarin hebben gestudeerd, verlicht zijn geworden met de Heilige Geest en dat zij zo onderwijs kregen en dat wij door hen mogen leren.

In zijn Dagelijkse Huiscatechisaties schrijft ds. Franciscus Ridderus in hoofdstuk 24 over de heilige doop. Hij behandelt daarin de vraag, of in geval van nood ook een gewoon christen of een vroedvrouw mag dopen. En hij wijst het af. Daarna vraagt hij: “wat dan als een kindje komt te sterven, eer het in de kerk kan worden gedoopt?” Het antwoord luidt: “de kinderen van de bondgenoten worden evenwel zalig door de kracht van het genadeverbond, gelijk de kinderen der joden, stervende voor de achtste dag eer zij besneden werden.”

Nu volgen de meningen en verklaringen van de afgevaardigden naar de Dordtse Synode van 1618-1619. Over elk artikel, dat door de remonstranten verkeerd werd uitgelegd, geven de afgevaardigden van de landen rondom Nederland en ook van de provinciale synoden in Nederland hun mening. Deze meningen kunnen we vinden in de Acta, of Handelingen der Nationale Synode, opnieuw uitgegeven in 1987. De afgevaardigden uit Zwitserland zeggen (bladzijde 376): “wat aangaat de kinderen der gelovigen: omdat God uit kracht van het genadeverbond hun God is; en omdat Paulus hen, die uit een gelovige vader en moeder – ten minste uit één van beiden – geboren zijn, heilig noemt; en omdat de Heere des hemels hen verklaart erfgenamen van het hemelrijk, als zij in hun kindsheid sterven, voor de jaren des onderscheids: wij hopen van hen het beste. En wij twijfelen niet dat de engelen van zulke kinderen, die dienstbare en zeer liefhebbende geesten zijn van de tere jonkheid, die altijd het aangezicht Gods zien, om wille van hen het meest uitgezonden worden, en dat zij hun ambt getrouwelijk bedienen.” Het is duidelijk dat in de laatste zinsnede wordt gedacht aan de uitspraak van Jezus in Mattheüs 18 vers 10, waar staat: “Zie toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is.”

De afgevaardigden van de Nassausche en Wetteravische kerken zeggen (bladzijde 380): “al is het, dat God om de erfzonde de kinderen verdoemen kan, nochtans moeten christelijke ouders geenszins twijfelen aan de zaligheid van hun kinderen; want aan hen en aan hun kinderen is de belofte gedaan; Genesis 17 vers 7: Ik zal Mijn Verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig Verbond om u te zijn tot een God en uw zaad na u. Markus 10 vers 16: En Hij omving ze met Zijn armen en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij ze. Handelingen 2 vers 39: Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen, die daar verre zijn, zovelen als de Heere onze God ertoe roepen zal.”

De afgevaardigden uit Bremen zeiden (bladzijde 397): “van de kinderen der gelovigen alleen, die – eer zij de leer kunnen vatten – komen te sterven, oordelen wij dat God die liefheeft uit datzelfde welbehagen om Christus, door Christus en in Christus, waaruit Hij de volwassenen liefheeft; dus zijn zij ook ten aanzien van het verbond heilig. Om dit te bevestigen worden zij door de heilige doop ingehuld en doen Christus aan.”

Op bladzijde 606 volgt de mening van de hoogleraren Polyander, Thysius, Walleus en Lubbertus: “zeer verschillend is de situatie van die jonge kinderen die geboren worden uit ouders die in het verbond zijn, én van andere jonge kinderen die geboren worden uit ouders die niet in het verbond zijn; omdat de Schrift van deze laatsten verklaart dat ze onrein zijn en vervreemd van Christus en van het verbond der genade. I Korinthiërs 7 vers 14: anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig. Galaten 2 vers 15: wij zijn van nature joden en niet zondaars uit de heidenen. Efeziërs 2 vers 12: u, heidenen, was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemd van de verbonden der belofte. Daarentegen, dat tot de anderen de belofte en het eeuwige leven behoren, dit getuigt de Schrift: Genesis 17 vers 7; Mattheüs 19 vers 14: verbiedt de kinderkens niet tot Mij te komen, want het Koninkrijk der hemelen behoort dezulken toe. Handelingen 2 vers 39. Uit welke plaatsen wij besluiten dat de kinderen der gelovigen, stervende in hun kindsheid, onder de uitverkorenen gerekend moeten worden, omdat zij genadig door God uit dit leven verlost worden, eer zij de voorwaarden van Zijn verbond verbroken hebben.” Opmerkelijk is, hoe zij benadrukken, dat het alleen gaat over de kinderen die in hun kindsheid sterven. Het gaat over kinderen die God wegneemt, eer zij de voorwaarden van het verbond breken.

Professor Gomarus (tegenstander van Arminius) zegt op bladzijde 619 en 620: “wij geloven op godvruchtige wijze van de jonge kinderen van degenen die door Christus in Gods verbond zijn en van degenen die ware gelovigen zijn, dat die kinderen mede verkoren zijn, als zij komen te sterven, eer zij de rede kunnen gebruiken; naar uitwijzen van de woorden van het verbond: Ik ben uw God en de God van uw zaad, Genesis 17 en Handelingen 2 vers 39.”

De broeders van Utrecht maken op de Synode als hun mening bekend (bladzijde 655): “aan de jonge kinderen behoort de belofte: Ik ben uw God en de God van uw zaad. Aan u en uw kinderen is de belofte gedaan. Uw kinderen zijn heilig. En aan hen behoort ook de zaligheid. Laat ze tot Mij komen, want het Rijk der hemelen behoort hun toe.”

In 1611 hadden de rechtzinnige theologen in ‘s-Gravenhage tijdens een ontmoeting met de remonstranten het volgende geschreven: “voor Gods kinderen zijn te houden, niet alleen de volwassenen die in Christus geloven en dienovereenkomstig wandelen waardig het Evangelie, maar ook de kinderen van het verbond, zolang zij niet metterdaad het tegendeel bewijzen en dat daarom gelovige ouders geen oorzaak hebben om te twijfelen aan de zaligheid van hun kinderen, wanneer deze in hun kindsheid komen te sterven.”

Uit dit alles is dus duidelijk, dat volgens onze oude schrijvers godzalige ouders tot hun kind mogen zeggen: jij bent een schaapje van de Goede Herder. En niet minder blijft toch nodig dat die kinderen het wonder van Gods genade ernstig zoeken en hartelijk beleven.

Ds. W. Pieters

Ds. W. Pieters

Ds. W. Pieters

  • Geboortedatum:
    27-06-1957
  • Kerkelijke gezindte:
    Hersteld Hervormd
  • Woon/standplaats:
    Garderen
  • Status:
    Actief
  • Bijzonderheden:
2 reacties
tien
18-11-2015 / 10:06
Als je nu pas na het sterven van je kindje bekeerd bent, wat dan?
Mag je dan denken : God heeft mij liefgehad met een eeuwige liefde, al van voor de grondlegging der wereld.
Mag je dan ook aannemen dat je kindje in de hemel is?
JanR
18-11-2015 / 13:33
@tien, lastige vraag, vooral omdat hij zo persoonlijk is...
Volgens mij hangt het niet van jou geloof af hoe God naar je kind kijkt. Dan zouden we er zelf iets aan toe kunnen voegen.

In de verschillende stukjes hierboven staat dat we niet moeten twijfelen. Ik denk dat dat ook een boodschap is voor ons in iedere situatie. God zegt: werp al je zorgen op mij. Hij belooft daarbij rust en dat Hij zal zorgen. Volgens mij mag je dan in vertrouwen op Hem loslaten waar je kindje is

Terug in de tijd

Voor school ben ik op zoek naar de waarden en normen waar jullie belang aan hechten binnen jullie geloof. Dus wat doen j...
geen reacties
17-11-2003
Waarom kon iemand in de Ger. Gem. géén dominee worden, terwijl hij nu predikant in de HHK is (daar wel toegelaten)?
geen reacties
17-11-2006
De uitverkiezing, hoe werkt dat?
4 reacties
17-11-2011
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering