Genadeverbond

Ds. C. den Boer / geen reacties

15-10-2009, 12:35

Vraag

Geachte ds. Den Boer. Ik heb kennisgenomen van uw artikel over het genadeverbond. Ik vond het enorm bemoedigend en zag in uw artikel heldere lijnen die ik in het afgelopen jaar mocht leren. Mag ik u nog wat vragen: waarom is de eerste leeruitspraak van de Ger. Gem. inperkend op het genadeverbond? Ik las ergens dat ook bepaalde oudvaders die uitspraak hebben maar tegelijk een ruim aanbod van genade preekten. Ik herken het wel als u schrijft dat onder sommige predikanten van de Ger. Gem. een duidelijk beperkt aanbod wordt gepreekt of zelfs geen aanbod. Zelf ben ik opgegroeid in een Ger. Gem waar alleen Christus in beeld kwam voor hen die de ‘merktekenen’ die werden gepreekt herkenden. Voor hen was er troost, want dan zou Christus komen. Tegen de onbekeerden die dit niet herkenden werd gezegd: haast u en spoed u... er werd gewenst dat we wenend de kerk zouden uitgaan. Maar ik kwam daar nooit en haalde het nooit, want ik voelde me zo op mezelf teruggeworpen. Ik kon niet haasten en spoeden. En elke dag voelde ik weer als ik op mezelf zag: weer heb je niet gehaast en gespoed. Totdat ik leerde via een andere Ger. Gem. dat wat u ook in uw artikel schrijft: niets wordt geëist en alles wordt gegeven. De eenzijdige liefde als grond. Dat bracht voor mij zo’n ruimte, blijdschap en hoop. Toch voel ik me nog zo blind voor Christus. En blijf ik zo’n trage en dode. Dat voel ik ook. Vaak tob ik nog: is dit dan het ware geloof? Ook schreef u dat de kinderen heilig zijn krachtens het verbond. Maar wat betekent dan heilig als het niet zalig is? Wilt u dit ook nog uitleggen? En ook schreef u dat God niet aan allen in het genadeverbond belooft hen te zaligen. Maar de doop dan? Daar belooft God het toch heel persoonlijk? Hoe bedoelt u dan deze uitspraak?

Antwoord

Beste vraagstel(st)ler

Hartelijk dank voor uw vragen.  Laat ik proberen daar puntsgewijs op te antwoorden:


a. Het aanbod van genade komt ‘onvoorwaardelijk’ tot iedere zondaar. Men behoeft, ja mag zelfs niets meebrengen. De deur staat open voor iedere zondaar om bij Christus aan te kloppen. In het genadeverbond komt de Heere tot ieder kind van het verbond met de aanbieding van Zijn genade. Dat aanbod der genade komt ook tot de onbekeerden. De meest weerbarstige en ongehoorzame mens mag het vernemen dat Christus te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven is en dat er in dat sterven van Christus zoveel mogelijkheden liggen, dat de gehele wereld erdoor behouden zou kunnen worden. Aan Gods wil om mensen zalig te maken, kan niemand met goed recht twijfelen. God wil niet dat enigen verloren gaan, maar “dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4).


b. Christus aanbieden aan hen die de merktekenen van de genade hebben, is het paard achter de wagen spannen. Want hoe zou men merktekenen der genade bij zichzelf kunnen vinden als men niet eerst in al zijn noden tot Christus is gevlucht? In die weg worden om zo te zeggen die ‘kentekenen’ in het hart gewerkt. Zoals bij de vrouw  uit het Evangelie die van achteren tot Jezus kwam en alleen de zoom van Zijn kleed aanraakte. En Jezus zegt straks tot haar: Vrouw, groot is uw geloof. Lukas 8:43vv.


c. Wie zo tot Christus mag komen ervaart het dat Hij alles meebrengt. Ik breng niets mee dan armoede en schuld. “Moede kom ik, arm en naakt…” En zo hang ik aan de lippen van Christus. Gelukkig dat u mag schrijven dat u die ruimte, blijdschap en hoop mocht ervaren. Vraag de Heere maar om dat dagelijks te vernieuwen.


d. Dat elk gedoopte een kind van het verbond mag heten, houdt in, dat het ‘heilig’ is; dat is: aan de Heere gewijd en door Hem apart gezet.


e. De Heilige Geest wil de weldaden van het verbond die we verbondsmatig in Christus hebben, ook toepassen (bekering en geloof in ons werken). Dat is nodig. En ook dat belooft de Heere te geven aan ieder die daarom verlegen is. Pleit daarop. In dat licht moet u de opmerking lezen, dat God niet elk gedoopt kind ook werkelijk zalig maakt. Daarvoor is nodig:  bekering en geloof. Lees het begin van het formulier voor de H.doop (over de noodzaak van de wedergeboorte).


f. De leeruitspraken van 1931 (Ger. Gemeente) betekenen m.i. een insnoering van het algemeen aanbod van de genade. Kennelijk is dit ingegeven door de vrees, dat mensen zich iets toëeigenen wat hun niet toekomt. Maar moet men dan soms eerst de kenmerken van het ware geloof bezitten, alvorens men gebruik mag maken van Gods genade-aanbod? En hoe komt het tot die kenmerken? Dat gaat toch niet om buiten het algemeen aanbod van genade?


g. Lees nog maar eens wat A. Brakel schrijft: “De Heere zal niemand verstoten die maar in waarheid door Christus tot Hem komt, al hebt gij nu zo vele jaren deze vriendelijke aanbieding ongehoorzaam geweest, al is uw gehele leven tot nog toe niets anders als zonde geweest, al zijn er gruwelen bedreven, al zijt gij een doodslager, een overspeler en hoereerder, een dief, een lasteraar en leugenaar tot op deze tijd toe geweest; zo gij maar uw zonden kent, waarlijk berouw hebt en waarlijk lust hebt aan dit verbond in al deszelfs delen, en aan de Borg om alleen door Hem die goederen deelachtig te worden: Zijt niet moedeloos, daar is hoop dezen aangaande, komt maar; want de Heere zal zekerlijk u niet verstoten, maar aannemen; want Hij heeft het gezegd: ziet al de beloften en onder andere Joh.6:37: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (blz. 366).

Met een hartelijke groet,
Ds. C. den Boer

Ds. C. den Boer

Ds. C. den Boer

geen reacties

Terug in de tijd

Wij zijn bezorgd omdat een dochter van ons een jongen heeft leren kennen in de vakantie en ook al na een paar dagen verk...
3 reacties
15-10-2013
Ik ben een jongen van 19 en ik heb een vraag over het dominee worden, want ik heb nu al gevoelens daarvoor maar ik zit o...
geen reacties
16-10-2019
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering