Doopbeloften (niet) voor iedereen

Ds. G. Kater / geen reacties

21-05-2021, 13:48

Vraag

Mijn vraag gaat over de Heilige Doop. Ik heb al veel vragen en antwoorden gelezen hier, maar het antwoord op mijn vraag ben ik nog niet tegengekomen. Mijn vriend zit in de Hersteld Hervormde Kerk en ikzelf kom uit de Gereformeerde Gemeenten. In de HHK hoor ik dominees zeggen dat in de doop je de vergeving van zonden en de werking van de Heilige Geest beloofd wordt. Mijn vriend en ik hebben hierover ook een gesprek gehad met onze consulent (Ger. Gem.). Hij zei dat de Heere dit niet aan alle dopelingen belooft, want wat God belooft doet Hij ook, dus dan zou Hij niet getrouw zijn (want niet alle gedoopten worden zalig). Dit heb ik trouwens van huis uit ook zo geleerd.

Nu lees ik ook weleens dat er gezegd wordt dat het er vanaf hangt of je zelf deze belofte gelooft of ongelovig verwerpt. Maar dan zouden dominees van onze kerk denk ik weer zeggen dat dit niet van ons afhangt... omdat wij nooit iets aan onze eigen zaligheid kunnen toedoen. Ik worstel heel erg met deze vragen. Ook voor mezelf. Kan ik nu wel of niet op deze beloften pleiten? Ik hoop dat iemand mij kan helpen (liefst een predikant van de HHK).


Antwoord

Beste jongere,

Bedankt voor deze goede vragen. Ik begrijp dat jullie hier tegen aan lopen omdat de kerkelijke verschillen in de gereformeerde gezindte voor een groot deel te maken hebben met verschillende visies op het genadeverbond die in de loop van de geschiedenis na de Reformatie ontstaan zijn. 

In de 16e eeuw van de Reformatie heeft vooral Johannes Calvijn het genadeverbond herontdekt in de Bijbel en op grond hiervan gesproken over de betekenis van de doop. Zijn visie klinkt op de achtergrond door in de gereformeerde belijdenis. Vooral in artikel 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (opgesteld door Guido de Brés, leerling van Calvijn) en vraag en antwoord 74 van de Heidelbergse Catechismus. Diezelfde lijn vinden we trouwens ook in ons klassieke doopformulier. 

Calvijn gelooft op grond van de Bijbel (lees bijvoorbeeld zijn commentaar op Gen. 17:7) dat de Heere Zijn genadeverbond heeft opgericht met de gelovigen én hun kinderen. Allen die gedoopt zijn behoren tot Gods genadeverbond. De HEERE belooft hen om hun God te zijn. Hij belooft hen de zegeningen van Zijn verbond en Hij roept hen tot bekering en geloof. Wie Zijn genadebeloften in ongeloof verwerpt gaat om eigen schuld verloren. Maar wie Zijn beloften in het geloof omhelst en zich bekeert, is voor eeuwig behouden. Dat geloof is daarbij een genadige gave van de Heilige Geest, wat God naar Zijn eeuwig welbehagen aan verloren mensen geeft. In Gods genadeverbond zijn dus twee soorten mensen. Verbond en verkiezing zijn indirect met elkaar verbonden, maar niet hetzelfde. Gods genadebeloften behoren tot Zijn genadeverbond, en worden daarom allen aangeboden/gegeven die tot Zijn genadeverbond behoren en het teken en zegel daarvan (de doop) ontvangen (Hand. 2:39). Ze zijn ons tot een pleitgrond voor het geloof gegeven.

In de tijd na de Reformatie heeft de leer van Gods genadeverbond een bepaalde theologische ontwikkeling doorgemaakt, vooral in de 17e en 18e eeuw. Bepaalde theologen gingen verkiezing en verbond steeds sterker aan elkaar verbinden; soms zelfs één op één aan elkaar gelijk stellen. Dat leidde er toe dat men het genadeverbond ging zien als een verbond wat God (alleen) opricht met alle uitverkorenen, omdat Gods beloften alleen aan hen vast en zeker vervuld zullen worden. Zo wordt het genadekarakter van het heil sterk benadrukt. Dat leidde er echter ook toe dat men de doop vaak niet meer zag als teken en zegel van Gods beloften voor élke gedoopte persoonlijk, maar deze een meer algemene betekenis gaf. 

Er zijn dus in de loop van de kerkgeschiedenis meerdere visies t.a.v. het genadeverbond ontstaan. Het is belangrijk om iets van deze ontwikkeling te weten om onze huidige situatie te begrijpen. En dan nu naar onze tijd. Zowel de HHK als de GG hebben formeel de Bijbel en de gereformeerde belijdenisgeschriften als grondslag voor het kerkelijk leven. In de HHK zie je in de praktijk een bepaalde verscheidenheid m.b.t. de leer van het genadeverbond. Er zijn predikanten die denken in de lijn van Calvijn (m.i. het grootste deel); er zijn ook predikanten die verbond en verkiezing sterker aan elkaar verbinden en het verbond laten beheersen door de verkiezing. 

Onze gereformeerde belijdenis bevat sporen van een bepaalde verbondsopvatting, maar heeft geen volledig uitgewerkte belijdenis van het genadeverbond. Daarom mogen er binnen de bandbreedte van de Bijbel en onze belijdenis ook (accent)verschillen hierover zijn in de kerk. Als de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte én de rijkdom van de kinderdoop (zaken waarover onze belijdenis wél duidelijke uitspraken doet) maar helder blijven doorklinken.

In de GG ligt dat anders. De generale synode van de GG heeft bewust verschillende leeruitspraken gedaan over het genadeverbond. Daarbij heeft men duidelijk voor één theologische lijn m.b.t. het genadeverbond gekozen, waarbij verkiezing en verbond sterk aan elkaar verbonden worden. Men onderscheidt wel de bediening van het genadeverbond van het wezen hiervan. Tot de bediening behoort het sacrament van doop; zodat de bediening van het verbond de hele zichtbare gemeente betreft. Tot hen allen komt het aanbod van Gods genade en de oproep tot bekering en geloof. Maar het wezen van het verbond omvat alleen alle uitverkorenen of gelovigen. De beloften van het genadeverbond komen ook (alleen) hen toe. De beloften van het genadeverbond en het aanbod van genade worden dus (scherp) van elkaar onderscheiden. Omdat de beloften alleen de uitverkorenen gelden, ziet men het vaak als onjuist om alle gedoopte gemeenteleden op te roepen om te pleiten op deze beloften. Overigens is dat niet altijd het geval. Er is ook in de GG een bepaalde verscheidenheid rond dit thema, waarbij sommige predikanten heel dicht bij de lijn van Calvijn staan.

Persoonlijk voel ik mij het meest thuis bij de lijn van Calvijn, omdat zijn opvatting m.i. het meest recht doet aan het spreken van de Bijbel over Gods genadeverbond. Daarbij komt dat er rondom Gods beloften vaak ook sprake is van begripsverwarring. Ik merk dat ook als je de reactie weergeeft van de consulent van jouw (GG) gemeente, waarbij je schrijft: “hij zei dat de Heere dit niet aan alle dopelingen belooft, want wat God belooft doet Hij ook, dus dan zou Hij niet getrouw zijn (want niet alle gedoopten worden zalig).” Deze tegenwerping gaat uit van de gedachte dat Gods beloften het karakter hebben van een profetie. Ongeacht de reactie van geloof of ongeloof op de beloften; ze worden altijd vervuld. Zoals een profetie. Vanuit deze visie doordenkend móeten de beloften wel beperkt worden tot Gods uitverkorenen, omdat alleen zij (inderdaad!) in de vervulling daarvan delen. Maar dan trekken we wel een conclusie, die we m.i. zó nergens letterlijk in de Bijbel vinden. 

God vervult zéker Zijn beloften altijd. Zijn beloften zijn vast, zeker en volkomen betrouwbaar! Maar tegelijkertijd bestaat wel de vreselijke mogelijkheid dat wij de vervulling ervan verhinderen door ons ongeloof. In Ex. 6:7 spreekt de HEERE, als de Verbondsgod van Israël, tot Mozes: “En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het Abraham, Izak en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE. Let op: de HEERE spreekt hier tot het hele volk van Israël.” Lees vers 5 maar, waar de HEERE begint te spreken tot Mozes: “Derhalve zeg tot de kinderen Israels...” Tot wie komt Zijn belofte, en voor wie is Zijn belofte? Voor het hele volk! Toch is niet het hele volk in het beloofde land gekomen. Uiteindelijk slechts een klein deel. Het merendeel is tijdens de woestijnreis gestorven. Maar dat was niet omdat Gods belofte voor hen niet gold, maar omdat ze (en wat is dat aangrijpend!) Zijn genadige beloften in ongeloof verworpen hebben. Dat maakt de brief aan de Hebreën duidelijk in hoofdstuk 3 en 4, waar naar deze geschiedenis verwezen wordt: “Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben.”

Samengevat: De beloften van Gods genadeverbond worden welmenend door de HEERE gegeven/aangeboden aan allen die tot Zijn verbond behoren, en het teken en zegel ervan dragen. Het is een machtige pleitgrond die Hij ons geeft voor ons gebed om genade. Maar Gods beloften worden alleen vervuld aan allen die Zijn belofte in geloof omhelzen en zich tot Hem bekeren. 

En dan die laatste tegenwerping: maar is de vervulling van Gods beloften daarmee niet afhankelijk van óns geloof? Ja en nee. Ja, ze is in een bepaald opzicht ‘afhankelijk’ van waar geloof, omdat ongeloof de vervulling van Gods beloften verhindert (Hebr. 3).

Nee, want het geloof waardoor we delen in de vervulling van Gods beloften is niet iets wat uit óns (natuurlijke hart) voortkomt, maar juist een genadige gave van de Heilige Geest (Ef. 2:8). Omdat God Zelf dit geloof geeft, staat Hij daarmee ook Zelf in voor de vervulling van Zijn beloften. 

Jij worstelt met deze vragen en je vraagt je af: kan en mag ik nu wel of niet op deze beloften pleiten? Op grond van Gods Woord en onze gereformeerde belijdenis mag ik je zeggen: jazeker, want de HEERE Zelf heeft ook aan jou Zijn beloften betekend en verzegeld in je doop. Lees wat onze belijdenis zegt en ons doopformulier. We worden gedoopt omdat ons “door Christus bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, wordt toegezegd”,  zegt antw. 74 HC. Toegezegd is een oud Nederlands woord voor beloofd. Als je daarbij bedenkt dat wij in onze doop heel persoonlijk bij onze naam zijn genoemd (als erfgenamen van het rijk van God en van Zijn verbond, zoals het doopformulier zegt); dan is het voorrecht van de doop duizelingwekkend groot. Wat een onbegrijpelijk wonder dat de heilige God Zijn genadeverbond opricht met onheilige zondaren, en ons alles beloofd wat nodig is voor de tijd en de eeuwigheid. Uit genade, alleen om Christus’ wil. Worstel daarom met de God van je doop. Belijd Hem je schuld en onwaardigheid. Maar pleit ook vrijmoedig op Zijn beloften. Zoals David pleitte op Gods belofte: “En doe, gelijk als Gij gesproken hebt” (2 Sam. 7:25b). God is de Waarmaker van Zijn Woord. Wie zich als een schuldige zondaar in het geloof vastklemt aan Zijn belovend Woord zal ervaren hoe vast en zeker Zijn beloften zijn. In en door de Heere Jezus Christus, Die de grote Inhoud ervan is. Wie door het geloof zicht op Hem krijgt, de Borg en Middelaar van Gods genadeverbond, mag weten voor eeuwig behouden te zijn.

Het is een lang antwoord geworden, maar ik hoop dat het zo ook echt een antwoord voor je is. Laat het zeker weten als je hier nog vragen over hebt, ik ben graag bereid daarop in te gaan. Van harte Gods zegen in alles toegewenst.

Met hartelijke groet,
Ds. G. Kater

Ds. G. Kater

Ds. G. Kater

  • Geboortedatum:
    10-07-1978
  • Kerkelijke gezindte:
    Hersteld Hervormd
  • Woon/standplaats:
    Arnemuiden
  • Status:
    Actief

Tags in dit artikel:

aanbod van genadekinderdoop
geen reacties

Terug in de tijd

Ik ben een meisje van 17 en heb inmiddels een paar maanden verkering met mijn vriend van 18. We hebben samen afgesproken...
geen reacties
20-05-2020
Ik wil heel graag op voetbal. Bij ons is een voetbalclub die niet op zondag speelt en als je vloekt moet je 5 minuten ui...
geen reacties
21-05-2019
Over liefde is ontzettend veel geschreven. Wat je vooral tegenkomt is dat echte liefde niet alleen een gevoel is, maar d...
2 reacties
20-05-2011
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering