Veel vragen over de Hebreeënbrief

Ds. M. Baan / 1 reactie

30-06-2020, 16:06

Vraag

Vragen over Hebreeën 5 en 6. Ik lees daar over melk en vaste spijze, over eerste beginselen en over voortvaren tot de volmaaktheid. Ik merk dat ik de zin van dit gedeelte niet zo goed begrijp. Ik heb enkele (exegetische) vragen:

Hebreeën 5:11 zegt dat de geadresseerden van de Hebreeënbrief "traag om te horen geworden zijn". Geworden zijn. Dus ze waren het eerst niet? Hoe kan je zo achteruit gaan? En hoe waak je daarvoor?

Hebreeën 5:14 zegt dat de volmaakten "door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads." Dit lijkt op een soort trainen te duiden. Of begrijp ik dat verkeerd? Hoe train je dan de zinnen? En zijn de zinnen je verstandelijke vermogens? En wat kunnen ze dan goed onderscheiden? Zonde en goede werken? Ware en valse leer?

De verzen 1 en 2 van Hebreeën 6 somt de eerste beginselen op. Wat is dan de vaste spijze? De volmaaktheid? Is dat wat er staat in vers 11 en 12, het ijveren tot de volle zekerheid van de hoop? Of is dat de leer van Christus als Hogepriester naar de orde van Melchizedek? En als het dat laatste is, waarom wijdt de schrijver dan enkele verzen aan de zekerheid? Wat is het verband? En wat maakt dan dat de leer van Christus als Hogepriester de volmaaktheid is? Je zou toch ook kunnen denken dat dit een basisbeginsel is?

Veel vragen dus. Ik wil het graag begrijpen. De BMU helpt me wel iets, net als de kanttekeningen. Maar toch blijft er nog veel onduidelijk. Hopelijk kan u mij verder helpen.

Antwoord

De gestelde vragen -en het zijn er nogal wat!- gaan over enkele details uit de hoofdstukken 5 en 6 van de Hebreeënbrief.  Toch kunnen we slechts antwoorden geven als we eerst en vooral letten op de bredere verbanden. 

Over de Hebreeënbrief in zijn geheel het volgende: de Statenvertaling noemt als schrijver de apostel Paulus. Bij de oudste manuscripten van het Nieuwe Testament ontbreekt echter elke naam van een schrijver. Uit de stijl van schrijven leiden we niet af dat Paulus de pen ter hand heeft genomen. Toch is de inhoud van de brief voluit apostolisch te noemen. Zo hebben de reformatoren de rechtmatige plaats van deze brief in het Nieuwe Testament ook steeds verdedigd. 

Wat de vorm en inhoud betreft is deze brief iets meer en iets anders dan zomaar een brief. Sommige uitleggers stellen, dat de Hebreeënbrief eigenlijk een preek is. Daar is wat voor te zeggen. Wellicht hebben we hier dus de oudste preek, die we kennen uit de christelijke kerkgeschiedenis. Een preek, gericht aan een gemeente van joodse christenen. De schrijver kan dan ook uitgaan van een behoorlijke basiskennis van het Oude Testament bij zijn lezers.

Waarom is deze brief geschreven? De schrijver heeft gezien dat het geestelijk leven van zijn lezers is blijven steken op een erg laag niveau. Daarom spreekt hij over “verachteren in de genade”(Hebr. 12:15). Dat unieke woord “verachteren” betekent niet “verachten”, maar dat kunnen we omschrijven met: de geadresseerden “boerden achteruit”. Waarin? In het leven des geloofs. En daar wil de schrijver wat aan doen met de hulp des Heeren. 

Wat moeten we verstaan onder deze “verachtering van de genade Gods”? De lezers van deze brief, jood-christenen, lijden aan verslapping in het geestelijke leven. Levend geloof kent -als het goed is!- zekerheid. Maar de zo noodzakelijke “verzekerdheid der hoop” (Hebr. 6: 1) is weg gaan ebben bij deze mensen voorzover dat deze er al was. Nu is de vraag natuurlijk: en hoe kòmt dat? Wat is de oorzaak van deze teloorgang in het geloofsleven? En vervolgens is de vraag van belang: en is daar ook iets tegen te doen? En zo ja, wàt is daar dan tegen te doen? Hoe kan deze te betreuren geestelijke achteruitgang tot staan worden gebracht?

Hier liggen vragen die ook vandaag de dag nog hoogst actueel zijn. Vragen, waarop nog al eens verkeerde antwoorden gegeven worden. Laten we de vragen maar één voor één langslopen:  

Waardoor is deze verachtering van de genade ontstaan? Op enig moment waren deze joden in aanraking gekomen met het evangelie van de Heere Jezus Christus. Ze hebben toen beleden, dat in de Heiland de lang beloofde Messias was gekomen. Daardoor is hun leven veranderd. Je zou kunnen zeggen, dat ze bekeerd zijn. Maar toch kun je daarbij ook wel een vraagteken zetten. Waarom? Omdat het Evangelie in hun leven niet echt doorwerkte! Als het goed was geweest, dan zou hun geestelijke toestand na die aanvankelijke bekering inmiddels zodanig zijn geweest dat ze ook anderen het evangelie zouden zijn gaan verkondigen. Waar het volle evangelie het hart verovert en vervult, daar komt de kracht van de Heere Jezus Christus openbaar in het gewone dagelijkse leven! Bekeerde mensen gaan getuigen van de hoop die in hen is. Maar van deze Hebreeën moeten we zeggen dat de geestelijke kennis op een laag pitje was blijven staan. Er was geen enthousiasme gekomen. De vreugde in de Heere vanwege de vrede door het bloed van het Lam Gods, je zag en hoorde er eigenlijk niets van. En toen deze mensen vervolgens ook nog eens te maken kregen met tegenstand en vervolging, toen zakte het geestelijke helemaal naar een dieptepunt. Was toen alles weg? Nou, dat viel wel mee: er was nog altijd een zekere basisovertuiging gebleven. Ze bleven overtuigd van de leer van “de bekering van dode werken.” En ook van de leer van “het geloof in God”. Ook van de leer van “de doop” bleven ze overtuigd, terwijl de leer van “de oplegging der handen” voor hen zeker bleef. Ze omarmden de leer van ”de opstanding der doden” en ook de leer van “het eeuwig oordeel”. Dit waren de eerste beginselen van hun geloof geweest en dit waren ze gebleven (Hebr. 6:1,  2). Maar om nou te zeggen, dat ze volop uit die zaken leefden, nee! Ze waren de Schriften niet biddend gaan lezen, zodat ze die grondbeginselen dieper en rijker en intensiever waren gaan begrijpen. Samenvattend zouden we kunnen zeggen: het zaad van het evangelie was wel in hun hart gezaaid, het was daarna ook ontkiemd en de eerste groene sprietjes kon je ervan zien. Maar toen was de stilstand ingetreden. En langzaam maar zeker ging dat weinige geestelijke leven (of hoe we dat verder ook moeten noemen) achteruit. Het verdorde. En als je nog even wacht sterft het restant vanzelf wel.

Is daar wat aan te doen? Zeker! Sommige mensen denken, dat je bij dergelijke mensen wel wat kunt bereiken door ze aan te sporen. Dat gaat dan op de manier van: vooruit jongens, niet verslappen hoor! Pas op! Schouders eronder! Op die praktische manier is het in de loop der eeuwen (tot en met in onze dagen toe!) nogal eens geprobeerd. Maar zo bereik je niets. De schrijver van onze brief weet een uitnemender weg! Hij maakt gebruik van een uitnemender wijsheid. Hoe is die dan? Geloofsleven kan slechts versterkt en verstevigd worden, als het geloof weer (bij vernieuwing) gericht en gegrond wordt op het meest wezenlijke van het geloof. Genezing van ziek, ontbrekend, kwakkelend ‘geloof’ kan slechts bereikt worden als (terug)gekeerd wordt naar de bron van het geloof. Anders gezegd: elke geestelijke kwaal kan slechts verholpen worden door: de Heere Jezus Christus! En dáár hebben we meteen de reden waarom de schrijver van de Hebreeënbrief het straks breed gaat hebben over het priesterschap van de Zaligmaker. Dat priesterschap heeft namelijk buitengewone waarde. Het heeft levenwekkende kracht! Slechts vanuit dat priesterschap van de Heere Jezus kan een geestelijk ongezond christen en een schijnchristen en een onbekeerd mens het ware leven ontvangen. Alleen zó zal de vlam van een krachtig geloofsleven gezien worden.

Maar hier doet zich wel een probleem voor. Want ingezakte en verachterde christenen en zeker schijnchristenen en onbekeerde mensen zijn soms zó ver weggezakt in het geestelijke leven of missen het geloof totaal, dat ze geen enkele belangstelling tonen voor de Persoon van de Heiland. Zelfs kan het gebeuren, dat de schildering van het priesterschap van de Heere Jezus Christus door hen niet (meer) begrepen wordt. In dat geval zullen ze er ook geen voordeel van beleven. En de schrijver van de Hebreeënbrief onderkent dit probleem. Zùllen deze mensen de waarde van het priesterschap van de Heiland (nog) kunnen inzien? Of zijn ze totaal doof en afgestompt voor die zaken? In ieder geval zijn ze zo ver weggezakt, dat hun gehoor erg slecht is geworden (Hebr. 5: 11). Achteruit boeren in het geloof heeft namelijk als vast resultaat, dat de geestelijke oren steeds slechter kunnen horen! Die oren werken dan nog wel een beetje, maar ze staan steeds verder open voor heel andere geluiden dan voor het Woord van God.
 
Daarom neemt de schrijver zijn toevlucht tot een soort list. Hij gaat gebruik maken van zeer eenvoudige beeldspraak. Zeg maar: een gelijkenis. Dat deed de Heiland ook vaak! Hij denkt: maar dàt zullen ze wellicht nog kunnen begrijpen! Hoe doet de schrijver dat? Hij stelt als voorbeeld een volwassene tegenover een kind! Dus de schrijver gaat nu zijn lezers behandelen als kleine kinderen. Wat is het gevolg daarvan? Dat hij zich moet beperken in zijn woordkeus. Geen moeilijke woorden gebruiken, want die snappen ze niet. Gewoon afdalen naar het niveau van kleine kinderen!

Helaas zien wij de bedoeling van zo’n beeldspraak wel eens over het hoofd! Met welk gevolg? Dat we aan de beeldspraak vragen gaan stellen, die niet te beantwoorden zijn. Zoals: wat is de betekenis van de “zinnen” en van de “volmaaktheid” (Hebr. 5:14). Wanneer we op zulke vragen een antwoord willen geven, verliezen we de bedoeling van de schrijver uit het oog: hij wil iets duidelijk maken aan heel kleine kinderen en verder niet! Zoek dus maar niet achter elk woord en begrip een diepere (geestelijke) betekenis. Maar dat wordt nogal eens gedaan. Ik herinner me eens in een dorp gepreekt te hebben over de verloren zoon uit Lukas 15. Na de dienst kregen we in de consistorie nog even te praat over de preek en dat liep erop uit, dat ik tijdens het afscheid nemen aan de broeders van de kerkenraad de vraag stelde: weten jullie ook wie er bedoeld worden met de huurlingen in het huis van die vader? Denk er maar eens goed over na! Na enkele maanden preekte ik weer in dat dorp. Na de dienst zei één van de ouderlingen: o ja, dominee, en wie waren die huurlingen? Ik moest even nadenken, want ik was mijn vraag van enkele maanden daarvoor aan hen totaal vergeten! Dus vroeg ik -heel handig- en wat denken jullie? De één dacht dat daarmee dominees bedoeld werden. Een ander dacht aan ouderlingen. Maar ze beseften allemaal wel dat daarmee het hele antwoord nog niet gegeven was. Dominee, wie worden ermee bedoeld? Mijn antwoord was: ik zou het niet weten! In een gelijkenis zitten altijd wel elementen waar je lustig over kunt fantaseren, maar waar het helemaal niet om gaat! Die staan er terwille van het voorbeeld van de gelijkenis! Ga dus vooral niet nadenken over de vraag wat die twee penningen toch te betekenen hebben die de Samaritaan aan de waard van de herberg gaf in die bekende gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan! 

Wat beoogt de schrijver van de Hebreeënbrief met die beeldspraak van melk en vaste spijs? Deze schrijver wil zijn lezers iets duidelijk maken. Hij wil dat zij de hoogte en de diepte, de volle rijkdom  van het Evangelie zullen gaan beleven! Maar daar is het nu nog ver vandaan, want die “kleine kinderen” zijn erg onkundig. Of om het te verwoorden met deze schrijver: ze zijn onervaren in het woord der gerechtigheid (Hebr. 5:13). Deze christenen overzien niet de grote waarde van het evangelie. Ze kunnen het hele Woord des Heeren nog niet verteren. Zoals kinderen nog geen inzicht hebben in de waarde van gerechtigheid, zo kijken deze lezers maar wat oppervlakkig aan tegen het christelijke geloof.  Vraag deze mensen alstublieft niet naar de rechten en de beloften van de Heere voor arme zondaren, ze zouden in de verste verte niet weten wat je met zo’n vraag bedoelt! Dergelijke zaken behoren dan ook tot de “vaste spijs”. Pers je dat soort dingen deze geestelijke ‘kinderen’ tòch door de keel, dan zullen ze zich zomaar kunnen verslikken, met alle gevolgen vandien. Ze moeten langzamerhand van de melkvoeding  gaan overstappen naar vast voedsel.

Nu kan de vraag gesteld worden: en hoe bereik je dat? Hoe laat je kinderen van melkvoeding overstappen op vaster voedsel? Het antwoord is eigenlijk hetzelfde als wanneer de vraag gesteld wordt: hoe leer je een klein kind lopen? Antwoord: door te gaan lopen! Leren lopen doe je dus met vallen en opstaan. Vast voedsel is, dat je geestelijk leert onderscheiden in wat deugt en wat niet deugt bij anderen en vooral bij jezelf! En dat gaat met kleine beetjes tegelijk. Kleine kinderen gaan ook niet ineens over van louter melk op alleen maar vast voedsel. Dat gebeurt langzamerhand. Dat is een groeiproces. Maar dáár was het bij deze Hebreeën nog nooit van gekomen! Na een aanvankelijke ‘bekering’ was er nooit eens ‘geproefd’ aan het vaste Woord des Heeren. Ze hadden het goede Woord Gods niet echt ‘gesmaakt’. Ze dobberden maar wat voort op het feit, dat ze tot geloof waren gekomen. En daarmee was alles toch voor elkaar? Ze baden niet van harte tot de grote Voorbidder, die hun onvolmaakte gebeden reinigde in Zijn bloed om die vervolgens volmaakt voor Gods aangezicht te stellen. Kijk, en dat vaste voedsel is zo nodig om het hart levend en krachtige te laten zijn in de Heere. Die bevindelijke kennis is zo nodig. Ook vandaag! Groei in het geloofsleven leert het om steeds meer af te zien van jezelf en steeds meer op te zien naar de Heere. Maar helaas, deze christenen waren nooit geringer geworden in zichzelf om groter te gaan denken van de Zaligmaker.
 
En nu gaat de schrijver van deze brief ze een allereerste les leren. Laten we zeggen: ze krijgen een eerste stukje vaste spijs voorgeschoteld! En het is dan de vraag hoe het ze zal bevallen. Of het ook gaat smaken naar meer! De schrijver dient een klein beetje van een zeer voortreffelijk ‘hoofdmenu’ op: het priesterschap van de Heere Jezus. Wat zegt hij daarover? We kunnen het in de volgende hoofdstukken lezen. In veel opzichten overtreft de Hogepriester Jezus Christus de hogepriester Aäron. Hij is zelfs meer dan die vrij onbekende priester uit de dagen van Abraham, Melchizedek! Welke bedoeling heeft de schrijver daar nu mee? Dat deze lezers smaak krijgen in het volmaakte verzoeningswerk van de Heiland! Dat ze er nog véél meer over willen gaan horen. Dat is van belang. Vooral ook met het oog op de vervolgingen. De verdrukking door de wereld moet hen niet een halfzachte houding geven van “ach, laat maar waaien”. En: “de Heere zal verder wel voor me zorgen, dus ik hoef me dergens druk over te maken.” Maar het moet ze uitdrijven naar de volkomen Zaligmaker, Die de weg en de waarheid en het leven is. De Hebreeënbriefschrijver wil dat deze mensen als verloren zondaren niet langer buiten het volbrachte Middelaarswerk van Christus voort kunnen leven. 

Wat is dus het volmaakte leven? Het volmaakte geloofsleven is dus het leven van en in en door en tot de Heere Jezus Christus, met helemaal niets van jezelf. Dan hoop je in alles voor tijd en eeuwigheid op de levende Heere Jezus Christus, Die gekruisigd is. Wat is dus het leven der volmaaktheid? Om het als arm en verloren zondaar met Paulus te zeggen: het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin!

Ds. M. Baan

Ds. M. Baan

Ds. M. Baan

  • Geboortedatum:
    16-02-1946
  • Kerkelijke gezindte:
    PKN (Hervormd)
  • Woon/standplaats:
    Veenendaal
  • Status:
    Actief
1 reactie
RSTHG21
02-07-2020 / 12:39
Je ziet het ook zo duidelijk bij de discipelen, ze wilde niks weten van het lijden van Christus, daar moest plaats voor gemaakt worden. Eerst lammeren, dan schapen.
Je kunt op dit bericht reageren. Klik hier om in te loggen.

Terug in de tijd

Mijn menstruatiecyclus is altijd heel onregelmatig geweest. Vaak zweet ik voor en tijdens de menstruatie 's nachts erg v...
geen reacties
29-06-2010
Aan ds. J. R. Lammers. De laatste tijd ben ik steeds meer gaan inzien dat de Bijbel ook heel menselijke kanten heeft. In...
geen reacties
29-06-2013
Ik wil deze vraag graag stellen aan ds. Van de Weg. In Romeinen 8 staat dat de Heilige Geest bidt voor de "heiligen". Ho...
1 reactie
29-06-2016
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering