De dood van dieren vóór de zondeval

prof. dr. M.J. Paul / geen reacties

22-04-2019, 13:39

Vraag

Er zijn al verschillende vragen beantwoord over de dood van dieren en de aanwezigheid van roofdieren vóór de zondeval. Volgens panellid dr. ir. De Jong waren beide realiteit, dit wordt ook door De Jong beargumenteerd in 'Dood gevolg van zondeval of onderdeel van schepping?'. Toch wordt hier mijn inziens voorbijgegaan aan een aantal Bijbelse gegevens.

Bijvoorbeeld de tekst uit Romeinen 8:19-22, waar de apostel Paulus schrijft dat de schepping door de zondeval aan de “slavernij van het verderf” onderworpen is. Ook schrijft Paulus aan de Romeinen dat “door een mens de zonde in de wereld ingekomen is en door de zonde de dood” (Rom. 5:12). Dood was dus een nieuw fenomeen “in de wereld” en niet ‘slechts’ onder de mensheid.

In reactie op de tekst uit Jesaja 11 (“En de wolf zal met het lam verkeren”, enz.) schrijft het panellid verder dat dit niet impliceert dat het in het verleden ook zo geweest is, echter dat doet de apostel Petrus wel als hij in Handelingen 3 spreekt over de “wederoprichting aller dingen.”

Een ander punt is de exegese van Genesis 1:30. Volgens het panellid kan hieruit niet worden geconcludeerd dat de dieren “uitsluitend het groene kruid” tot voedsel hadden. Echter, er staat wel dat het groene kruid tot voedsel gegeven is aan AL het gedierte. Alle dieren waren dus tenminste omnivoor en konden dus van “het groene kruid” leven, zeker als we er van uitgaan dat alles in grote overvloed aanwezig was. Het is dan ook niet ondenkbaar dat de dieren ook daadwerkelijk slechts “het groene kruid” aten!

Daarnaast viel het mij op dat na de zondeval de HEERE tot de slang spreekt: “...zo zijt gij vervloekt boven (=meer dan) al het vee, en boven (=meer dan) al het gedierte des velds!” Het lijkt erop dat de andere dieren dus ook werden vervloekt, zij het in mindere mate dan de slang.

Misschien dat ook eens een ander panellid op bovenstaande overwegingen kan reageren?

Antwoord

Beste vraagsteller,

1. Er zijn diverse opvattingen over de dood van dieren in het Paradijs. Voor een groot deel hebben die te maken met de summiere gegevens en onze eigen aanvullingen. Ik ben het met mijn collega panellid eens dat er een bijzondere manier van afstemming in het dierenrijk is. De vraag is echter wel of die ook zo in het Paradijs was. Dat weten we niet zeker en we weten evenmin of die afstemming totaal veranderd is na de zondeval. We moeten het dus doen met indirecte aanwijzingen. 

2. Vanuit onze leefwereld kunnen we ons niet voorstellen dat de dieren in de Paradijs anders met elkaar omgingen. Maar onze voorstelling is niet de norm. God is de Schepper en Hij kan de dieren vroeger anders hebben laten functioneren. Wij kunnen ons ook geen wereld voorstellen zonder het sterven van mensen, zonder moeitevol werk en zonder pijn bij het baren.

3. Romeinen 8:19-22 is belangrijk voor onze vragen. De huidige schepping zucht vanwege gebeurtenissen en is nu onderworpen aan de slavernij van het verderf. De klassieke uitleg verbindt dit terecht met Genesis 3. Wat de precieze veranderingen zijn geweest, komt hier echter niet ter sprake.

4. Romeinen 5:12 gaat over de dood van de mens en hoeft geen betrekking te hebben op de dood van dieren. 

5. Het toekomstvisioen in Jesaja 11 hoeft inderdaad niet te impliceren dat het vroeger zo geweest is. Toch ligt dat in combinatie met Jesaja 65 wel voor de hand. In mijn boek “Oorspronkelijk. Overwegingen bij schepping en evolutie” (2017) heb ik hierover geschreven. In verkorte vorm: “De wereld zal zodanig veranderen dat de eerdere vervloeking, die een ontwrichte relatie tussen mensen en dieren en tussen dieren onderling tot gevolg had (Gen. 3:14,17-19), opgeheven zal worden. Deze profetie van vrede vormt een uitwerking van de eerdere voorzegging van een wereld waar de oorlog niet meer bestaat (2:2-4; vgl. 4:2-6). De jongen zal zelfs een verscheurend beest als de jonge leeuw weiden (vgl. 35:9). De menselijke heerschappij over de dieren, beloofd in de tijd van de goede schepping (Gen. 1:28; 2:19; negatiever geformuleerd in 9:2) wordt gerealiseerd, zelfs door een kind. De oude tegenstelling tussen mensen en slangen is dan opgeheven, want een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder en een jong kind kan gerust zijn hand steken in het nest van een gifslang (vs. 8; vgl. Gen. 3:15). De afwezigheid van kwaad en verderf (vs. 9) wijst op herstel van de huidige verstoorde verhoudingen. In Jesaja 65:25 staat een soortgelijke voorstelling, met de vermelding dat de slang (nog steeds) stof tot voedsel zal hebben. De toekomst zal zo zijn dat negatieve zaken uit het verleden (kwaad en verderf in 11:9 en 65:25), die niet passen bij Gods goede schepping, weggedaan zullen worden. Daar hoort ook bij dat dieren elkaar opeten (een fysiek, niet een moreel kwaad). Door de vermelding van de slang en het stof is een nadrukkelijke toespeling op Genesis 3 toegevoegd. 
 
Zij die aannemen dat God het mechanisme van evolutie gebruikt heeft om de dieren te laten ontstaan, maken meestal bezwaar tegen het hanteren van deze teksten in het boek Jesaja om de situatie in het paradijs te verduidelijken. Want dan zijn er al lange tijd voor Adam en Eva verscheurende dieren geweest. Toch is de ‘vreedzame’ uitleg wel de gangbare geweest in de loop der eeuwen” (pp. 205-208).

6. Handelingen 3:21 spreekt over de wederoprichting van alle dingen, overeenkomstig de oudtestamentische profeten. Dit herstel sluit overigens niet uit dat de toekomst rijker en heerlijker zal zijn dan in het Paradijs het geval was.

7. Genesis 1:30 lijkt mij inderdaad te wijzen op plantaardig voedsel voor alle dieren, zeker in relatie tot de toestemming tot vleeseten in 9:3 (Noach vervult een soortgelijke rol als Adam).

8. De vervloeking van de slang wordt inderdaad vergeleken met het lot van de andere dieren.

9. Wat in het bovenstaande buiten beschouwing is gebleven, is de mogelijkheid dat de dieren sterfelijk geschapen waren, maar elkaar nog geen kwaad deden. Dan is predatie (roofdieren doden hun prooi en eten die op) een latere ontwikkeling. Het is opmerkelijk dat de mens na de zonde niet meer bij de boom des levens mag komen, om te voorkomen dat hij eeuwig zou leven (3:22). Was de mens afhankelijk van die boom om in leven te blijven? Hoe zat het dan met de dieren? Hoe bleven die in leven? Ook is van belang dat de zondvloed veroorzaakt werd door de zonden van de mens. Maar waren ook de dieren gedeformeerd? Waarom heeft God er berouw over dat Hij de dieren gemaakt had (6:7)? De uitdrukking “alle vlees” betreft niet alleen de mensen, maar ook de dieren (6:12-13). Het is denkbaar dat hun wreedheid steeds verder is toegenomen en dat ook zij daarom gestraft werden.

10. We kunnen slechts indirect en met voorzichtigheid iets zeggen over de genoemde problemen en er blijft veel onzeker. Voor wie meer wil lezen over dit onderwerp kan terecht in het goede overzicht in Raymond R. Hausoul, “Gods toekomst voor dieren. Van schepping tot nieuwe schepping”, Utrecht 2019.

Prof. dr. M. J. Paul

prof. dr. M.J. Paul

prof. dr. M.J. Paul

  • Geboortedatum:
    13-03-1955
  • Kerkelijke gezindte:
    PKN (Hervormd)
  • Woon/standplaats:
    Ede
  • Status:
    Actief
  • Bijzonderheden:

    -Eindredacteur Studiebijbel OT
    -Senior docent Oude Testament (CHE)
    -Deeltijd hoogleraar OT te Leuven (B)
    -Directeur-bestuurder THGB

Tags in dit artikel:

creationismeparadijs
geen reacties

Terug in de tijd

Regelmatig hoor ik de uitdrukking: In deze tijd wordt het doorbrekende werk van de Heilige Geest zo gemist. Wat wordt er...
geen reacties
20-04-2006
Tijdens catechisatie kwam ik met de volgende opmerking cq. vraag. God heeft het kwaad alias de duivel gecreëerd om ons m...
6 reacties
20-04-2013
Ik mag geloven een kind van God te zijn, maar ervaar momenteel veel strijd in de dagelijkse omgang met God. Het is soms ...
2 reacties
20-04-2012
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering