Aardse of hemelse bruidegom
Redactie Refoweb | 1 reactie | 18-03-2026| 12:01
Vraag
Wie is er eigenlijk aan het woord in Hooglied 5 vers 11, 12 en 13? Ik vind het lastig en als ik de Bbijbel met Uitleg vergelijk met Dächsel verschillen ze nogal van mening.
Antwoord
In Hooglied 5:11-13 is de vrouw (de Sulammitische) aan het woord. Ze reageert op de vraag van de "dochters van Jeruzalem" wat haar geliefde nu zo bijzonder maakt. In de verzen 10 tot en met 16 geeft zij een uitgebreide, poëtische beschrijving van zijn uiterlijk, van zijn hoofd tot zijn voeten.
Dat verklaart direct het verschil tussen bronnen zoals de BMU (Bijbel met Uitleg) en Dächsel. Bijna alle moderne en klassieke commentaren zijn het erover eens dat de vrouw hier spreekt over haar aardse bruidegom. Omdat Hooglied vaak wordt uitgelegd als de liefde tussen Christus en Zijn Kerk, duidt men deze verzen geestelijk op Christus. Dächsel staat bekend om deze sterk christologische benadering. Volgens hem beschrijft de Kerk hier haar Hemelse Bruidegom.
Kortom: de vrouw spreekt, maar over wie ze precies spreekt (de koning of Christus), hangt af van de bril waarmee je de tekst leest.
Dit artikel is beantwoord door
Redactie Refoweb
Bijzonderheden:
Mailadres: vragen@refoweb.nl
Dit panellid heeft meerdere artikelen geschreven
Een overgezette vertaling uit de Complete Jewish Bible van Dr David Stern van hoofdstuk 5 geeft inzicht in de personages. In het Hooglied wordt de Naam van G'd niet gebruikt en ik zie dit hoofdstuk als een hoogstaand literair werk van Slomo
Hieronder de tekst:
1 [Hij] Mijn zus, mijn bruid, ik ben mijn tuin ingegaan; ik pluk mijn mirre en mijn specerijen; ik eet mijn honingraat met mijn honing; ik drink mijn wijn en mijn melk. Eet, vrienden, en drink, tot jullie dronken zijn van liefde!
2 [Zij] Ik slaap, maar mijn hart is wakker. Luister! Ik hoor mijn geliefde kloppen!
[Hij] Doe open voor mij, mijn zus, mijn liefde, mijn duif, mijn volmaakte! Want mijn hoofd is nat van de dauw, mijn haar van het vocht van de nacht.
3 [Zij] Ik heb mijn jas uitgetrokken; moet ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen; moet ik ze weer vuil maken?
4 De man van wie ik houd, stak zijn hand door het gat bij de deurgrendel, en mijn hart begon te bonzen bij de gedachte aan hem.
5 Ik stond op om open te doen voor de man van wie ik houd. Mijn handen druipen van de mirre; pure mirre liep van mijn vingers op de klink van de grendel.
6 Ik deed open voor mijn geliefde, maar hij was al weggegaan. Mijn hart begaf het toen hij sprak. Ik zocht hem, maar ik kon hem niet vinden; ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7 De wachters die door de stad zwierven, vonden mij; ze sloegen mij, ze verwondden mij; ze namen mijn mantel af, die bewakers van de muren!
8 Ik beveel jullie, dochters van Jeruzalem, dat als jullie de man vinden die ik liefheb, wat moeten jullie hem dan vertellen? Dat ik ziek ben van liefde.
9 [Refrein] Waarin verschilt de man die jullie liefhebben van alle anderen, jullie mooiste vrouwen? Waarin verschilt de man die jullie liefhebben van alle anderen, dat jullie ons deze opdracht geven?
10 [Zij] De man die ik liefheb is stralend en heeft een blozend gezicht; hij steekt boven tienduizend uit.
11 Zijn hoofd is als het fijnste goud; zijn lokken zijn golvend en zwart als een raaf.
12 Zijn ogen zijn als duiven bij stromend water, gebaad in melk en perfect gevormd.
10 [Zij] De man die ik liefheb is stralend en heeft een blozend gezicht; hij steekt boven tienduizend uit.
11 Zijn hoofd is als het fijnste goud; zijn lokken zijn golvend en zwart als een raaf.
12 Zijn ogen zijn als duiven bij stromend water, gebaad in melk en perfect gevormd.
13 Zijn wangen zijn als kruidenbedden, als oevers van geurige kruiden. Zijn lippen zijn als lelies, druipend van zoete mirre.
14 Zijn armen zijn als gouden staven bezet met beril, zijn lichaam als gepolijst ivoor, versierd met saffieren.
15 Zijn benen zijn als marmeren pilaren op sokkels van puur goud. Zijn verschijning is als de Libanon, zo imposant als de ceders.
16 Zijn woorden zijn de zoetste van de wereld; hij is volkomen begeerlijk. Dit is mijn lieveling, en dit is mijn vriend, dochters van Jeruzalem dit is mijn vriend, dochters van Jeruzalem.


