Zwakheid haten

Ds. G. Kater / 3 reacties

13-09-2014, 12:40

Vraag

Ik haat mijzelf!! Nee, dat is niet helemaal goed geformuleerd. Ik haat mijn zwakheid! Ik haat het dat de duivel mij keer op keer weer zover krijgt. Ik haat het, dat ik niet doe wat ik moet doen. Ik haat het dat ik vlucht! Ik haat het dat ik niet naar Gods maatstaven kan leven. Nee, ik ben niet depressief. Nee, ik sta niet op het punt om zelfmoord te plegen (al zou ik dan wel verlost zijn van die zwakheid). Nee, ik heb geen negatief zelfbeeld. En nee, ik eis ook niet te veel van mijzelf. Waarom kan ik niet gewoon met Gods hulp de verleidingen weerstaan? Waarom lukt het me niet? Waarom wil ik het niet eens? Waarom is het zo sterk? Wat kan ik doen? Heeft u tips? Ik wil tot Zijn eer leven, maar keer op keer val ik in zonden. Wat moet ik doen?

Antwoord

Beste vragensteller,

Wat je moet doen? Ophouden met al jouw pogingen om in eigen kracht te strijden tegen de zonde en de zonde in jouw leven te overwinnen. Want nooit kan en zul jij in eigen kracht ook maar één zonde uitroeien en nooit zul jij alle verleiding daartoe kunnen weerstaan. Jij bent én blijft voor God een goddeloze en je zult levenslang in jezelf ook nooit iets anders zijn.

Wanneer we voor het eerst iets van onze zondeschuld zien, zijn wij als kinderen van Adam geneigd om zelf heel hard aan het werk te gaan in ons leven. We willen ons leven reformeren, we willen gaan strijden tegen de zonde en we verlangen ernaar de zonde met wortel en tak uit te roeien in ons leven. Zeker, het kan zijn dat de wortel daarvan de in ons hart uitgestorte liefde tot de HEERE is, zodat je zonder Hem niet meer leven kunt en verlangt tot Zijn eer te leven. Terwijl je ook ontdekt hebt, dat juist de zonde in jouw leven scheiding maakt tussen Hem en jou, zodat je als onreine zondaar nooit in Zijn gemeenschap leven kunt. Want God is immers heilig en rechtvaardig, en Hij kan en wil en zal niet anders dan elke zonde straffen in Zijn heilige toorn.

En toch zijn al die pogingen om in eigen kracht ons leven te reformeren niets anders dan pure werkheiligheid, omdat het verbond van de werken ons in het bloed zit. Wij willen daarom zo heel graag door iets van onszelf behouden worden, zelf iets doen, zelfs iets meenemen; zodat we heimelijk Gods genade daarmee willen kopen. (En ook na ontvangen genade hebben we overigens nog steeds levenslang te strijden tegen dit deel van onze oude natuur.) Daarom hoop ik van harte dat God jou dit zal laten zien door Zijn Heilige Geest, zodat je zult ontdekken: het is echt hopeloos van mijn kant. Het is totaal onmogelijk om tegen de zonde te strijden en deze te overwinnen in eigen kracht, het is totaal onmogelijk om te leven tot eer van God. Want ik dóe niet alleen dagelijks zonde, maar ik bén zonde; en dat zelfs vanaf het allereerste moment van mijn leven, als gevolg van de zondeval. Zodat je zult sterven aan alle verwachtingen van jezelf, en je door de liefde van God wordt ingewonnen om te erkennen: Ik ben Uw gramschap dubbel waard.

Wat je moet doen? Bij Christus zoeken, wat in jezelf nooit te vinden zal zijn. Tot Hem de toevlucht nemen, Die een Zaligmaker van verloren zondaren is. Hij is de vervloekte kruisdood gestorven, om zo Gods toorn over de zonde weg te dragen, voor allen die in Hem geloven. Hij heeft op aarde Gods wet volmaakt vervuld, in de plaats van allen die door het geloof met Hem verenigd zijn. Daarom wordt Zijn volkomen gerechtigheid toegerekend aan allen, die door een waar geloof Hem zijn ingelijfd. Daarom zijn Gods kinderen volkomen rechtvaardig voor God, niet en nooit in zichzelf, maar enkel en alleen in Hem.

Jij hebt Christus onmisbaar nodig en ik hoop en bid dat de HEERE dit antwoord gebruiken zal om je óók daaraan te ontdekken. Want ik vrees dat je ogen daarvoor nog gesloten zijn, omdat je nergens in je vraag ook maar enigszins naar de Zaligmaker verwijst. Alleen Christus kan en wil jou verlossen van de schuld van de zonde, en van de heersende macht van de zonde, in jouw leven. Hij is een volkomen Zaligmaker voor goddelozen en vloekwaardigen, en Hij is machtig en gewillig om ook jou met God te verzoenen.

Hij roept je tot Zich in Zijn evangelie, liefdevol en welmenend: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. En alleen wanneer je door de kracht van de Heilige Geest leert komen tot Hem, zul je in Hem vergeving van zonden en vrede met God vinden. Buiten de geloofskennis van Hem rust Gods vloek nog op jou en mij, en daarom zullen we buiten Hem nooit rust en vrede vinden voor ons hart. Alleen wanneer je door het oprechte geloof op Hem mag zien, zal de vrede die alle verstand te boven gaat jouw hele hart vervullen.

Zodat je weet: ik ben en blijf in mezelf een goddeloze; maar in Hem ben ik nochtans rechtvaardig voor God, vanwege Zijn toegerekende gerechtigheid. Dan hoef ik ook niets meer in mezelf te zijn, omdat Hij voor mij Alles geworden is, en omdat Zijn gerechtigheid alleen ook mijn gerechtigheid voor God is. Zo is Hij het, Die mij met God verzoend en dan komt Hij ook door Zijn Geest in mij wonen, om mij gelijkvormig te maken naar Zijn heerlijk evenbeeld. Zodat ik door de liefde van Christus gedrongen ernaar ga verlangen om niet alleen naar sommige, maar naar al Gods heilige geboden te leven. Niet om er iets mee te verdienen, niet om daarmee de kloof tussen God en mijn hart te dichten; maar om die te doen uit dankbaarheid, door Zijn kracht.

Betekent dit dat ik dan alle zonde overwin? O nee, ook al breek ik met het leven in de zonde, tegelijk moet ik levenslang belijden in  mezelf een goddeloze te zijn en te blijven. God verlost Zijn kinderen in dit leven op aarde wel van de schuld van de zonde én van de heersende macht van de zonde, maar tegelijkertijd (nog) niet van de inwonende zonde. Daarom vallen Gods kinderen tot hun droefheid elke dag in de zonde, en leren ze zo levenslang hun zondige aard hoe langer hoe meer kennen, lees Romeinen 7 maar. Maar dat brengt hen toch telkens opnieuw in droefheid over de zonde en hartelijk berouw aan de voeten van de Zaligmaker, om door Zijn bloed gereinigd te worden. En tegelijkertijd leeft wel het diepe verlangen in hun hart om vanuit de liefde tot de HEERE te wandelen naar Zijn geboden en tot eer van Zijn Naam te leven. En het is hun dagelijks gebed dat Christus door Zijn Geest hen daartoe meer en meer zal vernieuwen: O Zoon, maak mij Uw beeld gelijk.

De strijd met de zonde zal hier op aarde altijd blijven, maar zal hen tegelijkertijd des te meer doen verlangen naar het moment dat God hen van alle inwonende zonde verlost. Om na dit leven werkelijk zonder enige zonde volmaakt de HEERE te dienen en te leven tot Zijn eer, alleen vanwege de stervende liefde van het gezegende Lam van God.

Daarom nogmaals dit antwoord samengevat: Je hebt de Zaligmaker onmisbaar nodig, alleen Hij kan en wil jou verlossen van de zonde en brengen tot de vrede met God. Maar Hij heeft ook beloofd: En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Wie is Hij voor jou?

Van harte Gods genade in Christus toe gebeden.

Met hartelijke groet,
Ds. G. Kater

Ds. G. Kater

Ds. G. Kater

  • Geboortedatum:
    10-07-1978
  • Kerkelijke gezindte:
    Hersteld Hervormd
  • Woon/standplaats:
    Arnemuiden
  • Status:
    Inactief

Tags in dit artikel:

geloofsstrijdheiliging
3 reacties
gast
13-09-2014 / 15:02
Ik moet denken aan wat staat in 2 Korinthe 12. Paulus spreekt daar ook over zijn zwakheid. Hij heeft driemaal gebeden of hij verlost mocht worden van de 'engel des satans die hem met vuisten sloeg'.
Maar dan schrijft hij:
"En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.
Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig."
Ryle
13-09-2014 / 17:34
AANRADER!!!!Hier een verslag van Hudson Taylor (zendling in china). Bemoedigend om te lezen voor u. Hij had ook geen kracht om tegen de zonde te strijden etc. , maar lees hoe hij achter het geheim komt. Komt uit het boekje:

‘Hij nu was een blij man, een vrolijk, gelukkig christen. Hij was er te voren één geweest met moeiten en lasten, met niet veel zielenrust de laatste tijd.
Zijn hart was nu gerust in Jezus, en liet Hém het werk doen – en dat maakt al het verschil uit.’
Zo sprak een collega-zendeling over Hudson Taylor.
De pionier-zendeling in de binnenlanden van China, die tot het volle besef van de Zaligmaker was gekomen als de altijd aanwezige, die bij ons wil inwonen, getuigde: ‘mijn ziel is zo gelukkig in de Heer! En als ik denk aan de zegen die Hij me gaf op die gelukkige dag…. Dan weet ik niet hoe ik Hem voldoende danken en prijzen kan. Werkelijk, Jezus is de grote behoefte voor onze zielen. En Hij is de grote Gave van de liefde van onze Vader – die Zichzelf voor ons gaf en ons één maakte met Hem in opstandingsleven en kracht.‘
‘Het diepe handelen van God met Zijn kinderen verschilt in kleinigheden, maar het algemene patroon schijnt hetzelfde voor elk afzonderlijk geval. In ieder leven ontstaat een bewustwording van mislukking, een tekort komen in alles wat men in de Heer zou moeten zijn; dan is er een beslissende ontmoeting met de opgestane Zaligmaker, en algehele overgave van het hart, welke werkelijk de dood is voor het eigen ik. Dan volgt de toeëigening door het geloof in Zijn opstandingsleven door de onverbroken aanwezigheid van de Heilige Geest. Als resultaat daarvan is er leven en overvloed, die door de Here Jezus vergeleken wordt bij ‘stromen van levend water’ (zie Joh. 7: 37-39).’
Als jongen had Hudson Taylor de Here Jezus leren kennen als zijn persoonlijke Zaligmaker. In zijn jeugd werd hij geroepen naar het zendingsveld in China. Gedurende vijftien jaar had hij ernstig en met zegen gewerkt in dat land vóór hij uit eigen ervaring in het bezit kwam van het ‘veranderde leven‘. Op de leeftijd van zeven en dertig jaar stortte hij zijn hart uit voor zijn moeder in een lange brief die uitdrukking gaf aan zijn innerlijke honger en dorst:
‘Mijn eigen positie wordt voortdurend verantwoordelijker, en mijn behoefte aan speciale genade om die te vervullen groter; maar ik moet voortdurend betreuren dat ik op zo’n grote afstand van mijn dierbare Meester blijf en zo langzaam leer Hem na te volgen. Ik kan u niet vertellen, hoe ik soms worstel met de verzoeking. Ik heb nooit geweten welk een slecht hart ik had. Toch weet ik dat ik God en Zijn werk liefheb, en enkel en alleen verlang om Hem te dienen in alle dingen. En boven alles waardeer ik die dierbare Heiland, in Wie ik alleen kan worden aangenomen. Dikwijls ben ik geneigd te denken dat iemand zo vol zonde in het geheel geen kind van God kan zijn; maar ik tracht het van me af te werpen en me te meer te verheugen in de dierbaarheid van Jezus en in de rijkdom van genade, die ons heeft ‘aangenomen in de Geliefde‘.’ Geliefd wordt Hij door God; geliefd behoort Hij te worden door ons. Maar o, wat kom ik hier weer veel te kort! Moge God mij helpen Hem meer lief te hebben en beter te dienen. Bid voor mij. Bid dat God mij weerhoudt van de zonde, mij geheel zal heiligen en mij ruimer in Zijn dienst zal gebruiken.’
‘Het menselijk hart heeft geen verlangens, die God niet vervullen kan. De grootste moeilijkheid is voor een christen om de beloften van de Heiland letterlijk op te vatten. De Here Jezus zei: ‘Als iemand dorst heeft, laat hem tot Mij komen en drinken’.’
‘Er wordt ons gezegd tot Hèm te komen en niet tot de één of andere vriend, niet tot de één of andere ervaring, niet tot één of ander gevoel of gedachtenschema. We moeten zelfs niet alleen tot het Woord van God gaan, neen, we moeten door het Woord naar de Persoon van de Here Jezus Zelf.’
De weg tot bevrediging van het hart en rust voor de geest leerde Hudson van een collega-zendeling, John McCarthy. In een brief aan Taylor schreef hij: ‘Om de liefhebbende Heiland Zijn wil in mij te laten werken, is mijn heiliging hetgeen waarvoor ik door Zijn genade zou willen leven. In Hem blijvend, niet strijdend, noch vechtend; opziend naar Hem; vertrouwend op Hem om kracht voor het ogenblik; vertrouwend op Hem om alle innerlijke bederf te onderdrukken; rustend in de liefde van een almachtige Heiland, in de bewuste vreugde van een volledige redding, een verlossing ‘van alle zonden’ (dat is Zijn Woord); willend dat Zijn wil werkelijk oppermachtig zal zijn – dit is niet nieuw, en toch is het nieuw voor mij. Ik voel me alsof de eerste dagenraad van een schitterende dag over mij is opgegaan. Ik begroet het met beven en toch met vertrouwen. Ik schijn slechts tot aan de rand gekomen te zijn van een zee die grenzeloos is; ik schijn slechts een teugje genomen te hebben, maar het bevredigt ten volle. Christus alleen blijkt voor mij nu letterlijk de enige kracht te zijn om te dienen; de enige grond voor onveranderlijke vreugde. Moge Hij ons leiden tot het besef van Zijn onpeilbare volheid.’
De Heer gebruikte deze brief om Taylor te leiden ‘tot het besef van Zijn onpeilbare volheid’. Hij werd gelezen op het kleine zendingsstation in Chin-kang op zaterdag 4 september 1869. De zendeling was altijd erg terughoudend om bijzonderheden over zijn bekeringservaring te vertellen; maar hij zei: ‘Toen ik las, zag ik alles. Ik zag op Jezus; en toen ik zag, o, hoe stroomde de blijdschap!’
Zijn mede-zendelingen zeiden van hem: ‘Taylor ging weg als een nieuw man in een nieuwe wereld, om te vertellen wat God aan zijn ziel gedaan had.’
Laat de man Gods voor zichzelf spreken aangaande het leven, dat in Christus is. Schrijvend aan zijn zuster in Engeland zegt hij:
‘Wat mijn werk betreft, het was nog nooit zo overvloedig, zo verantwoordelijk of zo moeilijk, maar de last en de spanning er van zijn weg. De paar laatste maanden zijn misschien de gelukkigste van mijn leven geweest; en ik verlang er naar om je iets te vertellen van wat de Heer aan mijn ziel gedaan heeft. Ik weet niet in hoever ik in staat zal zijn mij er begrijpelijk over uit te drukken, want er is niets nieuws of vreemds of wonderlijks – en toch, alles is nieuw! In één woord: ‘Waar ik eerst blind was, zie ik nu…’
‘Toen mijn zielsangst op zijn hoogtepunt was, werd een zin uit een brief van de goede McCarthy gebruikt, om mij de schellen van mijn ogen te verwijderen en de Geest van God openbaarde de waarheid van onze eenheid met Jezus. Ik had het nooit eerder geweten. McCarthy, die erg gekweld was door hetzelfde gevoel van mislukking, maar het licht zag voordat ik het zag, schreef, (ik haal het uit mijn geheugen aan): ‘Hoe kan het geloof sterker worden? Niet door te streven naar geloof, maar door te rusten in de Getrouwe.’
‘Toen ik las, zag ik alles! Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw. Ik keek naar Jezus en zag (en toen ik het zag, o, hoe stroomde de vreugde), dat Hij had gezegd: ‘Ik zal u nooit verlaten’. ‘O, er is rust!’ dacht ik. ‘Ik heb tevergeefs gestreden om te rusten in Hem. Ik zal niet meer strijden. Want heeft Hij niet beloofd bij mij te blijven, me nooit te verlaten, me nooit in de steek te laten? En dat zal Hij nooit!’
‘Maar dit was niet alles, wat Hij me toonde, nog niet de helft. Terwijl ik dacht aan de Wijnstok en de ranken, goot de Heilige Geest een groot licht in mijn ziel! Hoe groot scheen mij mijn fout om slechts het zoete druivensap uit de wijnstok te begeren. Ik zag niet alleen dat Jezus me nooit zou verlaten, maar dat ik een lid van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente ben. De wijnstok bestaat niet, zoals ik nu zie, uit de wortel, maar uit alles – wortel, stam, twijgen, bladeren, bloemen, vruchten. En Jezus is zelfs niet alleen dat! Hij is ook de grond en de zonneschijn, de lucht en de regen, en dat tienduizend keer meer dan we ooit gedroomd, gewenst of nodig hadden. O, de vreugde deze waarheid te zien! Ik bid dat de ogen van je verstand verlicht mogen worden, meer dan wij ooit gedroomd of gewenst hebben, opdat je de rijkdom zult kennen, die ons in Christus gegeven is, en je er over zult verheugen…’
‘Het heerlijkste deel is de rust die de volle vereenzelviging met Christus brengt. Ik ben nu niet langer angstig over alles, als ik dit besef. Want Hij is in staat Zijn wil uit te voeren, en Zijn wil is de mijne. Het doet er niet toe waar Hij mij plaatst, of hoe. Dat kan Hij beter beslissen dan ik, want in de gemakkelijkste situatie moet Hij mij Zijn genade geven, en in de moeilijkste is Zijn genade genoeg.’
‘Gods genade is zeer zeker voldoende. En het hart dat de opgestane Here Jezus persoonlijk en intiem heeft leren kennen door de uitstorting van Zijn Geest, ervaart de realiteit van de ‘stromen van levend water’.’ Met Jesaja weet Hij, dat ‘U zult volkomen vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd’ (Jes. 26:3).’
Vele jaren na Hudson Taylors ontmoeting met de Here Jezus in ‘het kleine propvolle huis in Chin-kang’, werd het volgende over hem geschreven. De Anglicaan, ds. H.B. Macartney van Melbourne uit Australië, voegde dit getuigenis toe toe aan dat van vele anderen met betrekking tot het geheim van de zendeling. Namelijk het ‘leven dat Christus is’:
‘Hij was een aanschouwelijke les in kalmte. Hij trok van de Bank des Hemels elke cent van zijn dagelijks inkomen - ‘Mijn vrede geef ik u.’ Wat de Heiland niet opwond, of zijn geest in beroering bracht, wond ook hem niet op. De kalmte van de Here Jezus in alle zaken en op de meest kritieke momenten, dat was zijn ideaal en praktisch bezit. Hij wist niet van jachten en haasten, of van trillende zenuwen, of van geesteskwelling. Hij wist dat er een vrede was, die alle verstand te boven ging, en hij kon niet zonder die vrede.’
‘Ik was geheel anders. Ik heb een bijzonder zenuwachtige aard en als ik het erg druk had, had ik de hele dag hartkloppingen. Ik verheugde me niet in de Heer, zoals ik wist dat ik behoorde te doen. Zenuwachtige opwinding overmande me, zolang er nog iets gedaan moest worden. Het grootste verlies van mijn leven was het verlies van het licht van Gods aanwezigheid en gemeenschap tijdens de schrijfuren. De dagelijks post beroofde me van Zijn kostelijke gemeenschap.’
‘Ik ben in de studeerkamer, jij bent in de grote logeerkamer”, zei ik tenslotte tegen Taylor. ‘Jij bent bezig met miljoenen, ik met tientallen. Jouw brieven zijn geweldig belangrijk, de mijne verhoudingsgewijs van weinig belang. Toch ben ik afgetobt en benauwd, terwijl jij altijd kalm bent. Vertel me eens waardoor het komt.”
‘Mijn beste Macartney’ antwoordde hij, ‘de vrede waar je van spreekt, is in mijn geval meer dan een heerlijk voorrecht, het is een noodzakelijkheid.’ Hij zei met de meeste nadruk: ‘ ik zou onmogelijk door het werk heen komen, dat ik te doen heb, zonder dat de vrede van God, ‘die alle verstand te boven gaat’, mijn hart en geest vasthoudt.’
‘De ‘Keswick-leer’, zoals het genoemd wordt, was in die tijd niet nieuw voor mij. (Keswick is een plaats in het Lake-district in Engeland waar veel evangelisatiesamenkomsten van verschillende richtingen plaats vinden. Met ‘Keswick-leer wordt dus bedoeld een soort getuigenis, in de geest van die bijeenkomsten (vertaler).
‘Ik had die kostelijke waarheden ontvangen en predikte ze aan anderen. Maar hier was echt een verpersoonlijking van de ‘Keswickleer’, zoals ik nooit had kunnen hopen te zien. Dit maakte diepe indruk op me: een man van bijna zestig jaar, die geweldige lasten draagt, maar toch absoluut kalm en onverstoorbaar blijft. Stapels brieven ontving hij, die alle nieuws konden bevatten over een sterfgeval, gebrek aan geld, ruzies of andere ernstige moeilijkheden. Toch werden ze allemaal geopend, gelezen en beantwoord met dezelfde rust, want Christus was zijn reden tot vrede, zijn kracht tot kalmte. Wandelend met Christus had hij deel aan Zijn wezen en Zijn krachten, te midden van en met betrekking tot zijn werk. En hij deed het door een geloofsdaad, die even eenvoudig als voortdurend was’

‘Toch was hij opvallend vrij en natuurlijk. Ik kan geen woorden vinden om het te beschrijven, behalve de Schriftuurlijke uitdrukking: ‘in God’. Hij was altijd ‘in God’ en God in hem. Het was het echte ‘in Mij blijven’ van Johannes 15.’
Terecht kon de anglicaanse dominee er voor allen de vermaning bijvoegen: ‘Hebt u haast, bent u gejaagd, of in smart? Zie naar boven! Zie de Man in de Heerlijkheid! Laat het aangezicht van Jezus op u schijnen, het gelaat van de Here Jezus Christus. Is Hij vermoeid, belast en beladen? Er is geen rimpel op Zijn voorhoofd, niet het minste spoortje van angst. Toch zijn het evengoed Zijn zaken, als de uwe.”
Het is het leven in Christus, dat vruchten geeft, zoals de mens die van het water des levens drinkt, beseft dat hij nimmermeer zal dorsten. Het leven in Christus is blijvend en overvloedig, geeft voldoening en is vruchtbaar. Hudson Taylor had geen woorden kunnen vinden, die beter de waarheid der Schrift uitdrukten zoals hij die had ervaren, dan de woorden die hij vond in het boekje van Harriet Beecher Stowe: ‘Hoe te leven in Christus’. Hij zond van dit boekje een exemplaar aan ieder lid van zijn zendingspost. Een gedeelte van wat mevrouw Stowe zegt, luidt:
‘Hoe draagt de rank vrucht? Niet door voortdurend te verlangen naar zonneschijn en lucht; niet door vergeefse worstelingen om die levenwekkende invloed, die schoonheid aan de bloemen en de groene kleur aan de bladeren geven, deelachtig te worden. Zij blijft eenvoudig in de wijnstok, in stille en ongestoorde vereniging en bloemen en vruchten verschijnen alsof ze vanzelf groeien.’
‘Hoe zal dan een christen vrucht dragen? Door pogingen en worstelingen om datgene te verkrijgen, dat vrij wordt gegeven? Door overpeinzingen over waakzaamheid, over gebed, over werkzaamheid, over verzoeking en over gevaren? Neen, de gedachten en de neigingen moeten ten volle op Christus geconcentreerd zijn; er moet een volkomen overgave aan Hem zijn; een voortdurend zien op Hem om genade. Christenen in wie deze gezindheid eenmaal stevig gevestigd is, gaan even kalm hun weg als de pasgeborene in de armen van zijn moeder. Christus herinnert hen aan elke plicht op de juiste tijd en plaats, berispt hem voor iedere dwaling, geeft hem raad in elke moeilijkheid, vuurt hem aan voor elke nuttige reactie. In geestelijke, zowel als in tijdelijke zaken denken zij niet aan morgen, want zij weten dat Christus morgen even toegankelijk is als vandaag en dat de tijd geen slagboom plaatst voor Zijn liefde. Hun hoop en vertrouwen rusten alleen op wat Hij wil en kan doen, dus op niet dat zij zelf veronderstellen te kunnen en te willen doen voor Hem. Hun talisman voor elke verzoeking en smart is hun dikwijls herhaalde kinderlijke overgave van hun hele wezen aan Hem.”
‘Zo is het bekeerde leven, het blijvende, vruchtbare leven, het leven dat in Christus is, dat het bezit moet zijn van ‘ieder die gelooft’. Galaten 2:20 moet en kan een heerlijke werkelijkheid zijn:
‘Met Christus ben ik gekruisigd en toch leef ik, (dat is) niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.”
panny
13-09-2014 / 22:58
Christus is juist gekomen voor zondaren!
Je zal in jezelf geen enkele geschiktheid vinden.
Maar alles is te vinden in Christus!
Het Evangelie is genade.
Dit gaat ons verstand ver te boven.
Alleen God zal hiervan de eer en de lof ontvangen.

Terug in de tijd

Wat kan de oorzaak zijn dat ik, als we gemeenschap hebben, na het klaarkomen mij rot, somber voel? Ik vind het ook niet ...
1 reactie
13-09-2011
Kunt u uitleggen of we altijd naar ons geweten moeten luisteren? Ik worstel hiermee. Het is zo dat ik ergens over na ga ...
4 reacties
13-09-2010
Mijn man heeft in onze relatie van 22 jaar en haast 18 jaar huwelijk met twee kinderen reeds acht jaren lang een relatie...
geen reacties
13-09-2018
website-ontwikkeling door webdevelopment by Accendis
design website door design website by Mooimerk
hosting website door hosting website by STH Automatisering