Scheiding van kerk en staat
Dr. J. P. Zwemer | Geen reacties | 04-03-2026| 09:45
Vraag
Is scheiding van kerk en staat op Bijbelse grond? Heeft de overheid vanuit Gods Woord niet juist de plicht tegenover haar burgers dat zij naar Gods Woord onderwijs krijgen?
Antwoord
Scheiding van kerk en staat betekent in de eerste plaats dat de overheid haar wil niet aan de kerk kan opleggen. Dat is toch wel een veilig idee. Overheden zijn er in allerlei soorten (geweest) en het overgeleverd zijn aan een overheid zou een kerk weleens zuur kunnen opbreken.
Een overheid die het recht heeft haar wil aan de kerk op te leggen hanteert het principe van de staatssoevereiniteit. Dat is een principe waar Abraham Kuyper in de negentiende eeuw al sterk tegenop kwam. Zelfs enige relatie tussen kerk en staat waarin één van beide een dominerende rol speelt, was in zijn ogen onverantwoord. In dat verband merkte James Kennedy op dat de ontkoppeling van kerk en staat (aan het begin van diezelfde negentiende eeuw) de kerk ook kansen heeft gegeven present te zijn in het publieke leven. De vormen daarvan die hij noemt zijn onder andere dat de kerk beschouwd werd “als een geestelijke gemeenschap, die als zuurdesem zorgde voor morele en geestelijke verheffing van de samenleving” en “de rol van een profetische criticus van staat en samenleving” van de kerk (boek “Achter de zuilen”, 2014, 59).
Het geleidelijk schrappen van overheidsregels voor kerken in de negentiende eeuw maakte de kerk vrijer. Alles wat herinnerde aan de staatskerk van voor 1816 was met name voor de van de hervormde kerk afgescheiden kerken onwenselijk. Met name de SGP dacht daar wel wat anders over, maar deze partij keek dan ook naar een situatie van nog langer geleden, in de zeventiende eeuw. Ook deze partij was in essentie gericht op het profetisch onder kritiek stellen van de samenleving. In dat verband merkte Wim Fieret op: “Dit uitgangspunt beperkte de taakstelling van de partij. Het ging haar niet om de zo genoemde machtspolitiek” (dissertatie “De SGP 1918-1948. Een bibliocratisch ideaal”, 1990, 78). Het ging om beginselpolitiek en ook in het beginselprogram (artikel 2) werd gezegd dat de partij niet in de eerste plek naar een kiezersmeerderheid streefde. Dat Nederland inmiddels heel anders was dan in de tijd waar de SGP naar terugverlangde, besefte de eerste partijleider ds. G. H. Kersten maar al te goed (bladzijde 107). Dat moet met die andere houding ten aanzien van het streven naar een meerderheid hebben samengehangen.
Onderwijs “naar Gods Woord” zoals de vraagsteller dat voorstaat voor alle burgers kan dus wel wenselijk zijn, maar aan het opleggen ervan zitten vele haken en ogen. Dat is alom, ook in kerkelijk Nederland, de eeuwen door terdege beseft. We hebben met de realiteit te maken en die is complex en weerbarstig; en ze varieert soms per tijdvak. Bijbelse tijden en situaties als vergelijkingsmateriaal en inspiratie gebruiken kan zeker vanuit de profetische invalshoek heel goed. Maar wie meer dan dat wil, moet de veranderingen sindsdien verdisconteren en (dus) veel denkwerk verrichten. Dat is echter zeker niet verboden en misschien ook lang niet verkeerd!
Dr. J. P. Zwemer
Dit artikel is beantwoord door
Dr. J. P. Zwemer
- Geboortedatum:09-07-1960
- Kerkelijke gezindte:PKN (Hervormd)
- Woon/standplaats:Serooskerke
- Status:Actief
Bijzonderheden:
Historicus en schrijver


